sofiestory

Startspot.nl

Als startpagina - Bij je favorieten - Eigen startpagina

Dating

» Meer dating!

Aanmelden

Bekijk of de naam nog vrij is en registreer de naam:

.startspot.nl

Overzicht

Poll

Verder? (Clich xD)

Bekijk de resultaten

.~Personages~.

.~Sofie~.

.~Sofie~.

.~Soetkin~.

.~Soetkin~.

.~Kirsten~.

.~Kirsten~.

.~Elke~.

.~Elke~.

.~Clara~.

.~Clara~.

Santa Bill

Santa Bill

Hierbij het bewijs: Bill staat wel degelijk met een kerstmuts. :P

I proudly present you... EYECATCHER.

Hey lieverds!
Ik ben Sofie, 16, en nu toch al meer dan een goed jaar bezig aan een verhaaltje. Namelijk dt. Ik doopte het
Eyecatcher.
En plots kreeg ik het eens in mijn bolletje om het te delen met de mensen die helemaal niet vies zijn van FanFictions - over Tokio Hotel of course - en gooide het dus maar op Startspot! En het resultaat staat vanaf vandaag, 30 oktober 2008, de dag vr Halloween, hier te bezichtigen!
Enjoy!

story-toplist sofiestory.startspot.nl
story-toplist

.~Proloog~.

Hallo daar!
Jullie weten evenveel van mij als ik van jullie, wat dus ongeveer gelijk staat aan he-le-maal niets.
Dus: May our company present you: Sofie - Fie voor de vrienden – De Goeste, 17 jaar en op dit eigenste moment al een ruime anderhalve maand met grote onderscheiding afgestudeerd in haar zesjarige loopbaan in de Latijn - Moderne Talen richting van een instituut waarvan de naam liefst zo snel mogelijk wordt vergeten. Ons product wordt op 27 augustus 18, wat wil zeggen dat ze nog een goeie twee weken te gaan had voor THE BIG PARTY.
Na de vakantie, dus na het feest, gaat dit object “op den unief” vertalertolk en etymologie studeren, samen met Elke, Kirsten en Soetkin, wie de gemiddelde neutrale mens zou omschrijven als “compleet gestoord, irriterend vrolijk en stuk voor stuk onverwoestbare rotsen in de branding”. En ik, ik kon het alleen maar toejuichen.
Het was ook met hen dat ik hier nu stond, op het perron van Brussel-Noord, te wachten op een trein. Want dat had the company nog niet verteld; met ons viertjes waren we zowat de enigen in onze leeftijdsgroep die volledig uit hun dak gingen bij het horen of zien van het begrip Tokio Hotel. En die vier overfantastische jongens hadden morgen een concert in onze hoofdstad, en dus wachten we op hun trein. Want ook dat wisten jullie niet: de jongens hadden – volgens henzelf – het helemaal gehad met bussen en files en benzine en rode lichten, dus hadden ze besloten om de tour die bij hun nieuwe cd hoorde, met een trein te doen en zo alle grote stations een bezoekje te brengen. Origineel waren ze wel, dat kon iedereen beamen. Brussel was helemaal te vinden voor het idee, en deelde 50 tickets uit aan inwoners en omdat ik de trotse eigenares was van een studiootje in de rand, schoot ik me naar het gemeentehuis. Nog geen 5 min. later stond ik – onverrichter zake – weer buiten. Op. Na TWEE uur. Ik kon wel huilen. Bah nee, zo erg was het nu ook weer niet, ik ging toch naar hun entree kijken? En dacht je dat iemand me ook dat zou afnemen? Nee, dus, onmogelijk twijfelkonijn.
‘-Fie? Sofie! Heeee, droomster!! Ze komen eraan! Joehoe, luister dan toch!!’ De zon scheen in mijn ogen toen ik naar rechts keek en op de koop toe wipte een pesterig briesje al mijn haren net naar de tegenovergestelde kant dan waar ze hoorden te liggen. Zucht. Ik geef het op.
De luchtverplaatsing van de arriverende trein was ook al niet veel soeps, maar in mijn hoofd was nu alleen maar plaats voor die trein. In het zwart met wit, overal logo’s en een reuzefoto van hun cd over zowat de hele breedte van een wagon, gleed hij het station binnen, voor mijn grote ogen en die van honderden andere meisjes. Het gegil kaatste terug, en hoewel de zon achter de trein verstopt zat, zag ik toch dat de ramen stuk voor stuk verlicht waren. Geen tl-licht, maar cht zonlicht. Raar, vond ik, want de ramen waren allemaal geblindeerd.
‘Wow!’ gilden mijn vriendinnen, maar ik, ik weet niet waarom, ik gilde niet.
Het leek alsof mijn oren zich afsloten van de buitenwereld, mijn ogen zagen alleen twee andere ogen, wit achter zwart, en in mijn hoofd klonken steeds opnieuw twee simpele woorden, door een onbekende jongensstem uitgesproken: ‘Hey Clara.’ En opnieuw.

1

‘Fie? Fietje? Hee?’ Wild schudde iemand me door elkaar. Plots viel het gegil mijn oren binnen, en ik zag meer dan twee ogen alleen, ik zag nu ook: dranghekkens, huilende meisjes, gillende meisjes, kijkende meisjes, zwartgelakte nagels, drie bodyguard-beren, en Soetkin, Kirsten en Elke. Eigenlijk vral Soetkin, Kirsten en Elke.
‘Alles goed?’ Ik knikte met grote ogen, als een kind dat voor het eerst in het park een hond ziet. Want zo voelde ik me ook. Ik kende deze wereld niet, althans niet meer. Woonde ik hier nu al 17 jaar, of nauwelijks een paar uur?
Ik knikte en slikte, trilde en knipperde en zwom mijn vriendinnen door de menigte achterna. We waren toch al volwassen genoeg om te beseffen dat aanschuiven voor handtekeningen even onmogelijk was als in 5 min. over en weer naar de maan. We hadden dan ook op voorhand al beslist om deze stap van het fan-zijn wijselijk links te laten liggen, want dat was misschien wel iets te laag gegrepen aangezien onze leeftijd.
Even later stonden we bij mijn auto en namen afscheid, waarop ze dus na uitgebreid geknuffeld te hebben in de auto van hun ouders stapten en onder hevig gezwaai verdwenen. We hadden allemaal een rijbewijs, maar daarom nog geen auto. Alleen bij mij kon je zo ongeveer zeggen dat alle attributen aanwezig waren, want ik had n een rijbewijs, n een auto, n een appartementje. n geen lief, wat de anderen –Elke uitgenomen– wel hadden. Toen alleen hun stofwolk nog te zien was –Grapje!- opende ik het portier van mijn tutuutje, klaar om in te stappen.

Bill

We waren er bijna, nog even geduld. De stress gierde door mijn lijf en ik had nu het meeste zin in als een opgeladen Duracellkonijn de hele trein op en af te lopen.

‘Bill! Verdomme, zit stil!’ Dat was Tom, mijn broer, tweelingbroer. En samen zijn we de lekkerste tweeling van de wereld. Zeggen ze. Ik vond er niks aan, zo bekeken worden als potentieel voer. Weetje, ik ben wie ik ben, mooi of lelijk. Ik weet dat er minstens evenveel mensen zijn die me niet om aan te zien vinden dan dat er mensen zijn die net het tegenovergestelde denken. Who cares?

‘Bill! Hou op of ik gooi je door het raam!’ Dat was Georg, drie jaar ouder dan Tom en ik, en in de categorie “Hoe ouder, hoe wijzer.” de uitzondering die de regel bevestigt. En hij kon, als hij dat echt wilde, me zeker door het raam gooien.

‘Bill. Ik vraag het nog n keer, alleen een pak vriendelijker, zit stil of je zakt door de vloer.’ En dat was Gustav, rustig, vriendelijk en net wat de groep nodig had op vlak van logisch denken en redeneren. We –Tom, Georg en ik – waren niet echt uitblinkers in dat vak, snap je. Ik kneep mijn ogen dicht, balde mijn vuisten en ontspande ze weer, liep een rondje om de zetel en ging uiteindelijk op de leuning zitten. Het was me helemaal duidelijk wat Gustav bedoelde met “door de grond zakken” toen ik met zetel en al voorover tuimelde. Drie seconden later stonden ik n de zetel weer met onze voeten op de grond en liep ik weer zoals de jongens van me gewend zijn voor een concert, wat neerkwam op ongelooflijk zenuwachtig en hyperactief.
Als ik stressig ben, ben ik onmogelijk. En ik kan dus alleen maar de jongens 100 % gelijk geven.
Ik slaakte een zucht van verlichting toen we aankwamen. Ze zouden het moeten verbieden, mij zo jennen. Ik kreeg het warm en koud tegelijk toen ik al het bijeengestroomde volk zag.

Eindelijk was ik thuis.

Met ons vieren gingen we op een rijtje staan en keken zonder gezien te worden. Beste uitvinding ooit, die geblindeerde ramen. Na de stijltang. En de haarspray. En de muziek. Maar verder, top. Ik grijnsde toen de erg egocentrische gedachte in me opkwam dat werkelijk iedern hier stond voor ons, maar schrok me rot toen n meisje me rcht in mijn ogen keek.
‘Hey.’ mompelde ik. ‘Hey Clara.’ Verschrikt sperde ik mijn ogen open. Clara? Hoe kom ik in vredesnaam op de naam Clara? Het was alsof er een brug lag tussen het meisje en de naam. Ze waren onvermijdelijk met elkaar verbonden, maar het water onder de brug was opgedroogd of weggestroomd. Clara…
n van haar waarschijnlijke vriendinnen schudde haar wild door elkaar waardoor ze rilde en ons bijzondere oogcontact verbrak. Plots, van het ene op het andere moment, was ze verdwenen. Ze had geen zwartgelakte nagels.

2

‘Bill? Bill! Heee, dromer! Kom je nog?’ Tom stond in het deurgat en grijnsde. Toen ik niet meteen bij hem kwam, ging hij naast me staan en keek in de richting waarnaar mijn ogen ook keken. Maar hij zag niet hetzelfde als ik. Natuurlijk niet, Clara was allang weg, en ik zag alleen nog haar ogen. Groot, donker, mooi. Die ging ik niet vlug vergeten.

‘Euh… Bill? Alles goed?’
‘Mhm…’ antwoordde ik. Voor hem waren deze meisjes voorwerpen, die je dumpt als ze versleten waren en dan vlug een ander nam. Maar ik merkte ook dat het minder werd. Hoeveel keer al was hij deze tour bij mij komen zitten, ’s nachts, als hij niet kon slapen en ik niet kon slapen en we allebei haast stierven van eenzaamheid? Geloof het of niet, dan ontstaan nieuwe liedjes, zo over middernacht, op mijn bed, met het maanlicht als enige verlichting.
‘Bill? Ze wachten, Georg en Gustav. We gaan hallo zeggen.’
‘Ja.’ Nog n enkele blik ging naar de ondertussen allang opgevulde plaats van Clara en haar vriendinnen. Dan draaide ik me om en ging naar ons kleine wereldje daar buiten.
De deuren sisten, de adrenaline stuiterde van mijn kleine teen tot in mijn levensboom en het gegil deed me grijnzen. Ik ademde diep in en stapte het perron op.
‘Hallo Belgien!’ brulde ik en het gegil dat ik ervoor terugkreeg was trommelvliesverpletterend. *Aah… hiervoor leef ik.*

Tom

Bill deed raar, dat stond nu wel vast. Wat had hij op het perron gezien dat hij zo stil en in gedachten stond te kijken? Er waren toch alleen maar meisjes? Ja, natuurlijk wist ik wel dat hij en ik een totaal verschillende mening hadden over dat onderdeel van de mensheid, maar Bill had nog nooit zo lang staan kijken. Hij zocht niet echt naar “de ware”, zoals hij dat zelf zo graag zegt, maar toch betrapte ik hem erop dat hij in elk station net kort genoeg keek om bij ons geen overdreven reacties uit te lokken, en toch net lang genoeg om de hele omgeving te scannen. Maar nooit was hij zo lang blijven staan als nu… Misschien dat hij nu wel… Misschien dat het onmogelijke toch gebeurd was…
Ach, Tom, wat maak je jezelf wijs? In het vorige station was het ook niets, dat daarvoor nog minder en alle andere daarvoor helemaal niets, waarom zou Bill dan nu opeens wel iets belangrijks gezien hebben?
Waar maak ik trouwens zo’n kabaal van? Ik vraag het hem straks wel, als we hier klaar zijn.

Bill

*Waarom gaat alles toch mis?* Met ogen groot van paniek zag ik de onderbezette bodyguards tevergeefs armen en benen terug over de hekkens duwen. In een soort van panische reactie draaide ik me om. F*ck! Met al dat handtekeningengedoe was ik te ver van de trein afgedwaald. Naar de trein toe rennen was bijna zelfmoord, de eerste meisjes stonden al op het perron. Maar Tom, Georg en Gustav waren er toch ook geraakt? Geen tijd om achterom te kijken, rende ik op goed geluk de trappen af, waar ik op een tunnel zo ver als ik kon kijken uitkwam. De zakenmensen die met hun koffertje in hun hand een andere trein te halen hadden, keken mij en elkaar vreemd aan. Links of rechts? Links? Rechts. Waar ik zou uitkomen, was een groot vraagteken.

Sofie

Ik droom! Ai, nee, toch niet. Maar het moest wel, want op minder dan 5m stond Bill, d ja, in paniek te zijn en keek voortdurend om. Zonder het te weten liet ik het portier los, en met een luide klap viel het weer in het slot. Met een ruk, zodat zijn haar meezwierde, draaide Bill zijn hoofd in mijn richting. Die ogen… zo anders dan op alle (niet-)gepubliceerde foto’s en posters, groot van angst, een sluier van blijdschap en herkenning, maar nog steeds mooi en bruin en zacht.
*Ren niet weg! Alsjeblieft?!* dacht ik, terwijl ik zonder zijn ogen los te laten en op de tast het portier weer opentrok. En ik een vlaag van psychische zwakte durfde ik het aan mijn mond te openen.
‘Schuilen?’ Ik kon wel raden wat hij daar deed.

Bill

Ik kon wel gillen! Clara!! Liet ze me cht schuilen in haar auto? Het leek bijna te mooi om waar te zijn! Misschien is het wel te mooi om waar zijn… Misschien is ze echt wel zo’n meisje, zo n als die achter me… Shit! Ze staan cht achter me! Als in een visioen veranderde de massa in een aanstormende kudde neushoorns, die zo meteen, binnen enkele luttele seconden, de hoek zou komen omstormen, klaar om me te verpletteren. Instinctief dook ik al wat in elkaar. Ik voelde de grond al bijna trillen. Net op tijd dook ik de auto in, en toen ik de deur achter me had dichtgetrokken, keek ik samen met Clara naar de voorbijsnellende neushoorns. Ik was gered.

Sofie

Waar haalde ik het lef? Wr haalde ik in vredesnaam het lef om hem aan te spreken? Nu ja, Bill leek zich daar niet echt druk om te maken, hij was allang blij dat hij veilig en wel ergens zat waar hij niet zou overspoeld kon worden door hyperactieve meisjes en dat iemand hem gered had van die dolle menigte. Ik stapte ook in, en zag hoe hij een beetje wegdook toen de massa voorbijkwam.
Het werd weer wat stiller, Bill kwam recht, en glimlachte naar me. Ik kon –natuurlijk- niets anders dan teruglachen. ‘Alles goed?’
‘Met mij wel,’ grijnsde Bill, ‘maar met die daar buiten vast heel wat minder!’ Met zijn duim wees hij ergens naar de wereld achter het raampje.
Ik grinnikte. ‘Geen eten vandaag!’
Bill lachte en maakte aanstalten om uit te stappen. ‘Ze zullen nu wel weg zijn… denk ik.’
Voor ik het wist streken zijn lippen vluchtig mijn kaak, mompelde ‘Bedankt Clara.’, stapte uit de auto en sloeg het portier dicht. Binnen de minuut was hij verdwenen.

‘Bedankt. Clara.’ Clara. Hoe kan die nu mijn tweede voornaam weten? Niemand, maar dan ook helemaal niemand uit mijn volledige vriendenkring wist van het bestaan van die lettercombinatie af. Hoe kon d Bill daar dan maar zomaar opkomen? Ik had hem, alles samen, 3 min. gezien!
Hij wist niets van mij, niet mijn echte voornaam, niet mijn familienaam, niet mijn leeftijd, behlve mijn tweede naam. De tweede naam, die niet van mijn meter, mama of oma was, maar wel mooi genoeg bevonden werd om “Sofie” te vergezellen op mijn identiteitskaart. De tweede naam, die een wildvreemde –want dat was wat Bill was - zomaar uitsprak, zeker van zijn zaak, misschien met een vleugje trots omdat hij me kon choqueren alsof het niets was. Dit was zo raar.
Toen ik alles had overdacht en nog eens had herdacht, trok iemand het portier weer open, sprong (letterlijk) in de auto, deed als een gek het portier weer dicht, op slot, hijgde en kermde en gilde en schreeuwde diezelfde iemand: ‘Rijd! Alsjeblief, rijd zo vlug mogelijk weg van hier! Ze zijn met DUBBEL zoveel!!’
Ik startte de auto, maakte dat ik wegkwam en terwijl ik niet bijkwam van het lachen keek ik via de achteruitkijkspiegel in Bills angstige ogen, die op hun beurt ook om de haverklap achteromkeken.

3

Een eindje verder ging ik langs de kant van de weg staan, draaide de motor op non-actief en mezelf helemaal om, zodat ik Bill kon aankijken. Hij keek terug en een tijd lang bleven we elkaars ogen uitspitten. Om Bills mond lag een vreemd glimlachje, omdat hij zoveel wilde vertellen maar niet wist of ik wel te betrouwen was.
‘Bill? Waarom noemde je me Clara?’ Verrast keek hij me aan.
‘ ‘k Weet niet. Toen ik-‘ Zijn gsm rinkelde, opeens voelde ik me midden in zo’n stomme soap waarin, net als het spannendste moet komen, de aftiteling op het scherm verschijnt.
‘Met Bill.’ zei hij terwijl hij hulpeloos zijn schouders ophaalde. De persoon aan de andere kant riep zo luid dat Bill het toestelletje een heel eind van zijn oor hield en theatraal zijn ogen naar de hemel draaide. Ik giechelde maar trok mijn wenkbrauwen op toen een heel scala aan Duitse scheldwoorden de lucht in ging, scheldwoorden waarvan zelfs de stoerste Johnny steil achterover zou slaan.
Toen er geen eind leek te komen aan de woedende scheldtirade, brulde Bill minstens even luid terug: ‘BEL TERUG ALS JE GEKALMEERD BENT!’, duwde dan doodleuk op het rode hoorntje en stak de gsm zonder pardon weer in zijn broekzak.
‘Ik begrijp Tom wel.’ zei ik. ‘Als ik de meest dierbare persoon uit mijn leven zou zien wegrennen, op de voet gevolgd door een bende dolle koeien, met als enige hulpmiddel de kennis van de Duitse taal, zonder geld, zonder kleren en zonder kaart van het ingewikkelijkste station van heel Belgi, dat hij op de koop toe van haar noch pluimen kende, zou ik minstens even gepanikeerd reageren als Tom daarnet deed.’
‘Hoe wist je dat dt Tom was?’ vroeg Bill, toch wel lichtjes in shock.
‘Gustav zou nooit zo vloeken, Georgs stem is zwaarder, de stem lijkt voor 80% op de jouwe n ik ben erg goed in gokken.’ zei ik droog.
Bill grijnsde. ‘Maar je antwoordde nog altijd niet. Hoe kwam je op Cla-’ ‘Bill, straks begin ik dat deuntje nog te haten!’ waarschuwde ik hem toen zijn gsm weer van zijn oren maakte.
‘Hallo?’ zei Bill even opgewekt als vorige keer. Iemand haalde diep adem – het was noch Bill noch ik – en zei geforceerd rustig: ‘Hey Bill.’
‘Ha, Tom, wat te melden, jongen?’ zei Bill zo serieus mogelijk. ‘Pest hem niet zo!’ lipte ik naar Bill, maar hij veegde – zoals verwacht – er vierkant en vrolijk zijn voeten aan. Aan de andere kant zag ik voor mijn geestesoog al de stoom uit Toms niet alleen overspannen oren spuiten als een oude locomotief uit, ja, de jaren stillekes. Een stem op de achtergrond – die ik kon identificeren als Georgs – maande Tom bevelend aan tot kalmte, maar ets in mij zei dat dat op dit eigenste moment een heel klein beetje veel onmogelijk was.
Tom knarste zijn tanden en blies gefrustreerd lucht door zijn neus in de hoorn, alsof we door de tocht die erdoor zou komen zouden beseffen dat hij zowat op het randje van een dubbele zenuwinzinking balanceerde. ‘Oh. Niets hoor. Alleen maar dat… IEDEREEN WIL WETEN WAAR JE F*CKING UITHANGT!! Maar anders… ‘k zou ’t niet weten!’
‘Hij is veilig hoor!’ zei ik, terwijl ik mij ogen halfgergerd naar het plafond richtte.
‘Bill, wie is dat? Toch geen eh…’ vroeg hij, ongerust en gevolgd door een strategische stilte.
‘Ooh, jawel, Tommie, ik ben een doorgedraaide groupie die Bill geBillnapt heeft en je krijgt hem alleen terug als ik jouw linkersok krijg, want ik ben de mijne kwijt.’ zei ik droog. Bill liet van het lachen bijna zijn gsm vallen, en om het niet uit te barsten, perste hij zijn hand voor zijn mond, waardoor hij haast stikte van het ingehouden bulderen. Ik grijnsde.
‘Haha. Bill?’
‘Ja, Tommie?’ zei Bill, nadat hij bijna drie keer tevergeefs had geprobeerd om weer helemaal serieus te worden.
‘Bill! Verdomme, hou toch ‘ns op! Als je zou weten hoe ongerust we hier allemaal zijn, zou je ’t niet meer zo lollig vinden! En David vindt het, ondanks de hoop kalmeerpillen, ook helemaal niet grappig meer!’
Het was ongelooflijk hoe snel Bill nu opeens wel serieus werd. De lachbui van daarnet lag misschien wel drie eeuwen achter ons. Hij slikte en zei: ‘Euhm… Tommie?! Zei je “David”?’
‘Nee, Bill, ik zei Moeder Theresa. Tuurlijk, Bill, zei ik “David”. En trouwens, hoe vlugger je terug bent, hoe vlugger David naar die afspraak met Universal kan gaan en hoe vlugger wij dus onze verkoopcijfers in Belgi weten, en hoe vlugger we du-´ ‘Jaja, Tom, ik snap het nu onderhand wel. Ik vraag meteen aan Clara of ze me brengt. Staan er nog veel meisjes?’ Toen ik mijn “naam” hoorde vallen, keek ik op. Bill knipoogde en grijnsde naar mij om wat Tom zei.
‘Ah, heet ze zo, je nieuwe vlam? Zozo, dan ben je voor n keer toch vlugger dan i-´
‘Tom! To the point!’ brulde iemand op de achtergrond, iemand die ik nog nooit had horen praten. Bill zei ‘Dankje David!’ en daardoor kon ik logisch afleiden dat de persoon die ik nog nooit had horen praten naar alle waarschijnlijkheid David was.
‘Ah, over dat… we staan wel niet meer op het perron. Karl heeft ons op een ongebruikt spoor gezet. ’t Was vroeger om te tanken maar nu is die tank weg of zo… Doet er niet toe, naar ’t schijnt is het spoor 59. Je kan het makkelijk zien vanaf de weg. Misschien weet jouw Clara het wel zijn.’
‘Ik weet het zijn! Is goed!’
‘Tom. Ze is niet mijn Clara.’
‘Maha! De groetjes aan die vlam van je!’
‘TOM!!! HOU ER N-´ brulde Bill nog, maar de kiestoon piepte al door de auto.
Ik startte mijn karretje en ging, samen met Bill die zuchtte alsof hij vlak voor een ontzettend moeilijke bevalling stond(wat, voor alle duidelijkheid, onmgelijk was), op weg naar spoor 59, waar ik voor het eerst in mijn leven vier mannen zou ontmoeten die me nu al beschouwden als veroorzaakster van onnodige ongerustheid en de al-dan-niet(ige) vlam van Bill.

Ik kon me geen betere entree wensen.

4

Tom

Voor Bill kon tegenpruttelen, legde ik toe en grijnsde. Georg keek me berispend aan, terwijl Gustav nog een zoveelste verkoelend kompres op Davids voorhoofd legde.
Arme stakker, hij heeft het niet bepaald makkelijk met ons. Eerst Jill, mijn gekraakte mailbox, de gsm van Georg die gestolen werd door een crewlid, en nu Bill die “verdwenen” was en op de koop toe zijn gsm niet opnam…
Nee, hij heeft het zeker niet makkelijk met ons. We hadden elk onze eigen problemen gehad, maar bij het schaap David leken ze om n of andere bizarre reden dubbel door te wegen. Arme, arme David.
En nu maar wachten op Bill.

~Later.~

‘Zijn ze dat niet?’ vroeg Georg, die net uit het raam keek. Als door een wesp gestoken veerde ik op.
Een klein grijs autootje stopte en verwachtingsvol plakten we allemaal zowat tegen het raam.
Een meisje – nou ja, ze was geen echt meisje meer – met bruin zwierig haar, niet groot maar ook niet klein en op het eerste gezicht een mooie 85B, zag ik in n oogopslag, stapte uit en wachtte tot Bill dat ook had gedaan om de auto te sluiten. Uiterlijk zelfverzekerd liep ze naast Bill naar de trein, maar een kleine spiertrekking onder haar oor verried het tegengestelde. Nee, mij moet je over meisjes geen fabels meer wijsmaken, ik kende de kneepjes van het vak als geen ander en de truken van de foor waren mijn specialiteit. En dat mocht ook wel, met mijn ervaring.
Bill stak zijn sleutel in het slot, voerde de code 7915 in waardoor het klepje voor de vingerafdrukherkenning omhoogschoof en hij binnenkwam. Ja, we zijn inderdaad z goed beveiligd. En gelukkig maar, anders lagen er voor we het wisten tientallen fans op de vloer, niet alleen in katzwijm gevallen maar ook over het trapje.
Clara volgde Bill op de voet, nog iets dat je kon verklaren als onzekerheid.
‘Ik ben thuis!’ riep Bill voor de grap, maar David vond hem duidelijk allesbehalve lollig.
‘Doe. Me. Dat. NOOIT. Meer. Aan.’ zei David op zo’n enge fluistertoon dat zelfs Rambo een schoothondje zou worden. En omdat Bill zeker Rambo niet was, trok hij witjes weg. Als een schoothondje. Maar daar keek ik niet zozeer van op, ik dacht eerlijk gezegd dat je na zo’n massa pillen – waar zelfs een olifant al redelijk high zou van staan – zo geen volzinnen meer hoort uit te brengen. Maar blijkbaar was Davids lichaam al wat vertrouwd was met de tabletjes – geen wonder trouwens – want toen hij ook nog eens opstond vielen mijn ogen uit hun kassen. Dat wordt moeilijk om te zoeken, ogen zonder ogen.
Bill kromp wat ineen toen David naar hem toe wandelde zwalpte, waardoor hij voor n keer groter was dan Bill.
‘NOOIT. Meer.’ ging hij even dreigend verder. Bij elk woord priemde Davids wijsvinger naar Bills gezicht.
‘En waarom nam je je gsm niet op?’ vroeg hij. Quasi-vriendelijk gevraagd, maar Bill werd zo bleek als een lijk.
‘Euhm… hij stond uit?’ probeerde Bill, maar helaas. David liep rood aan. Als hun carrire ten einde zou lopen, konden ze nog altijd zo gaan freelancen voor de vlag van Polen.
‘Stond. Uit?’ siste David woedend. Hij oogde plots een pak helderder. Bill knikte, aarzelend.
‘Sorry.’ piepte hij.
‘Dat dacht ik ook, ja.’
Bill grijnsde voorzichtig. Volgens mij voelde hij dat David toch al wat, euhm, kalmer werd.
‘Ik ben er nu toch?’ lachte hij schuldbewust.
‘Ach man! ’t Is allang goed. Ik was heel even in paniek. Hoe zou je zelf zijn?’
Hoe ik zou zijn doet er niet toe. Ik zocht opnieuw naar mijn ogen. Hij had 3 strips pillen achter de kiezen en bedenkt dan, zo tussen de soep en de patatten, een geniepig plannetje om Bill wat te doen afzien? Jzus.
David sloeg Bill joviaal op de schouder en Bill kon nog net een niet zo tedere aanraking met de vloer vermijden door hem in bijna-doodsangst vast te klemmen aan de tafel.
Maar David zag het niet. Bill grommelde wat en krabbelde recht, terwijl Davids ogen over Clara gleden, die ongemakkelijk werd en begon te draaien in het deurgat.
‘Enneuh… wie is zij?’ vroeg hij wijzend. Tactvol, erg tactvol David.
Bill ogen lichtten op, iedere andere persoon zou zich doodschamen over de publieke uitkaffering, maar hij, hij niet. ‘Zij,’ glimlachte hij, ‘is Clara.’
‘Nou, eigenlijk heet ik Sofie, maar Clara is mijn tweede voornaam, dus da’s ook wel goed. En dat was trouwens wat ik Bill de hele tijd probeerde uit te leggen, ofwel werd hij gebeld’ zei ze voor de lol een beetje beschuldigend tegen mij, ‘ofwel lag hij zich te bescheuren.’

Sofie

Bill keek geschokt op, en toen mijn ogen de zijne hadden gevonden keek ik hem doordringend aan. Het was nog steeds een raadsel hoe hij op Clara was gekomen. Plots sprong hij op en kwam vlak voor me staan, met zijn rug naar de anderen. Hij keek zo diep in mijn ogen dat ik ervan duizelde.
‘Mag ik… Clara blijven zeggen?’ fluisterde hij.

Van het ene moment op het andere viel ik achterover in een diepe zwarte bodemloze put. Mijn handen schampten af op de rand. Maar, alsof het nog niet weird genoeg was, bleven die ogen mij achtervolgen, ik bleef ze zien, ook als ik mijn ogen sloot. Het waren Bills ogen, had ik nu wel door. Dezelfde ogen die ik gezien had toen ik nog op het perron stond en ‘Hey Clara.’ door mijn hoofd hoorde waaien. En ik bleef maar vallen. De ogen bleven me aankijken, verwachtend. Maar eerst wilde ik weten wat er gebeurde. Ook ik verwachtte van alles, van alles waar ik tot nu toe nog geen besef van had.
Het zwart werd lichter en lichter. Het werd een tuin, met een verlepte rododendron en een haag. Alles ging weg, de trein, de mensen, alles. Ook uit mijn hoofd.
De ogen veranderden van eigenaar. Het zwarte lange haar van een persoon die ik niet kende kortte een heel eind in, werd blond. Het bleke gezicht bij het korte blonde haar ging niet, zei iets in mij. En alsof ik hier de regels bepaalde veranderde ook het gezicht. Bruiner, harder, stoerder, maar nog steeds dat ene, datzelfde paar ogen, groot, sprekend, verwachtend, blij en droevig tegelijk, op een bijna afschuwelijke manier een paar ogen die alles namen zoals het kwam, ook bij zichzelf, gewoon, ogen die alles aanzagen als een gewone witte bladzijde in een boek.
Ook ik veranderde. De kleren voelden heel wat strakker dan de absurditeit die ik daarvoor droeg. Ik was Clara, een 20ste eeuw meisje in de tuin van haar ouders, en praatte met Maarten. Maarten, mijn geheime vriendje sinds twee jaar, tevens ook de buurjongen en de broer van de jongen die het ooit had aangedurfd een voetbal tegen onze deur te schoppen.
‘Lieve lieve Claar…’ begon hij. Ik kende de stem, natuurlijk kende ik die stem. Maar ik kende ze niet omdat het de stem van Maarten was.
En waarom vertelde hij nu niet verder? Hij sperde zijn mond open in een geluidloze schreeuw en zijn ogen, de ogen zonder gevoelens, werden groot en angstig.
Ik schrok zo van het feit dat je voor n keer ook echt zijn ogen kon lezen, dat ik me alleen op het laatste nippertje afvroeg waarom hij zo bang was.
Maar achter de kaft van angst las ik niets, kon niets lezen. Ik ben anders zo goed in het lezen van ogen, ik wou niet alleen de kaft zien verdomme! Ik kon en wou niet aanvaarden dat wat erachter zat en stond, onzegbaar was.
Plots was daar dat zwarte gat weer, ik gilde, misschien meer uit wanhoop dan uit angst. En ik bleef maar vallen. En ineens, automatisch alsof een hogere macht me verplichtte, sloeg ik mijn armen uit en haakte me vast in de rand. Mijn nagels braken af, maar dat deerde me niet. Dan nog niet. Ik moest en zou terug naar het zonlicht, naar Maarten. Maar toen ik naar boven keek, zag ik hem al. Hij kwam me helpen, dacht ik toen. Maar hij bleef gewoon werktuiglijk op me neer kijken, zag hoe ik klauterde, krabde.
Ik gilde dat hij me moest helpen, dat hij me niet zomaar kon laten zinken. Maar hij, hij die ik zo liefhad, hij deed net het tegenovergestelde. Een grote pak aarde kwam over me heen waardoor ik niets meer zag. En alsof met het zicht ook al mijn kracht verdwenen was, viel ik. Ik brak. Maarten… Maarten!
‘MAARTEN!!! Nee!!’


Bill

Wat?! Niet Clara maar Sofie?
Wacht, even herhalen. Ik zie een wildvreemd meisje, n of andere rare kronkel in mijn hoofd geeft haar de naam Clara, ik geloof hem, en wat later blijkt dat ze wel degelijk theoretisch Clara heet, maar dat ze meestal aangesproken wordt met Sofie, terwijl ik haar dus, zoals gezegd, van haar noch pluimen kende? Creepy.
‘Mag ik Clara blijven zeggen?’ Ik stond voor haar, keek diep, diep in haar ogen. Verrast glimlachte ik toen ze net zo recht in de mijne keken als bijna een halfuur geleden.
Misschien wat een overbodige conclusie, maar ik kon toch wel vlotjes besluiten dat we alletwee ogenmensen waren. Ik, ik wou altijd de ogen zien van de mensen wanneer ik babbelde en als ik belde, zag ik ze voor me. En zij, nu ik erover dacht, zij had haar ogen bij elke zin die ze ooit tegen mij gezegd had al in de mijne geboord. Eindelijk stond ik tegenover een gelijkgezinde.
Ogen hadden altijd al een belangrijke rol in mijn leven gespeeld. Van belangrijke momenten herinnerde ik me meestal alleen maar hoe de mensen gekeken hadden. Misschien daarom dat ik van mijn ogen altijd iets speciaals gemaakt had, zodat het eerste waar mensen zouden naar kijken mijn ogen zouden zijn. Raar, maar so am I.
Waarom antwoordde ze nu niet? Ik concentreerde me weer op Clara, doordat ze niet antwoordde had ze me de kans gegeven om na te denken.
Plots, zonder enige waarschuwing, zakte ze in elkaar. Ik weet niet meer – of wil niet meer weten – wat ik toen deed. Ik denk dat ik schreeuwde. Misschien, heel waarschijnlijk.
Als vanouds keek in haar ogen, alsof ik daar wou zien dat alles in orde was, dat ze me zat te kloten, dat ze gewoon niet bewusteloos was. Maar wat ik zag, was geen van dat wat ik hoopte. Ik zag helemaal niets, behalve dat ze open waren.

5

Tom

Plots zakte Clara – of Sofie?! – in elkaar. Verdomme zeg, wat had Bill gedn? En toen begon het. Chaos. Iedereen sprong op, holde rond, botste tegen elkaar, tilde Sofie – of Clara?! – op, rende van hot naar her en weer terug.
David nam zijn vers verkoelend kompres dat even technisch werkloos op de tafel had gelegen en legde het op haar hoofd. Gustav legde haar benen op een stuk of drie kussens, Georg vulde een glas water als een barman in spitsuur. Ik hoor je denken: *En wie is de enige die geen poot uitsteekt? Tom natuurlijk.* Maar die gedachte zou ik maar snel zo vlug mogelijk van de baan schuiven want ik stak geen poot uit naar ClaSo, maar naar Bill. Nadat ze in elkaar zakte, en al de chaos die erop volgde, was hij, temidden van alle tumult, op zijn knien gaan zitten, verweesd voor zich uitstarend.
‘Broer?’ fluisterde ik.
‘-tje.’ zei Bill, maar zijn houding veranderde geen spat. Ik legde mijn handen op zijn schouders en keek hem verwachtend aan. Praat.
‘Haar ogen zijn nog open.’ fluisterde hij.
‘Heh?’ fluisterde ik van de weeromstuit nu ook. En aan Gustav, die het dichtst bij ons stond vroeg ik: ‘Bill zegt dat haar ogen nog open zijn. Echt?’
Hij boog zich over de woelende ClaSo en veerde verschrikt weer op. Hij knikte.
Als je bewusteloos bent, zijn je ogen toch gesloten? Als ik ts had opgestoken van natuurwetenschappen dan was dat wel dat als je bewusteloos bent je ogen gesloten zijn. Maar dan was ClaSo… Mijn gedachtestroom werd ruw onderbroken door Bill, die opeens rechtsprong en woest mijn handen van zijn schouders schudde. Mismoedig boog ik mijn hoofd en stond dan ook maar op. Het praten was zeker nog niet voor nu.
‘Ze… ijlt.’ zei David toen we allemaal rond de zetel stonden. Je kon haar zachtjes vanalles horen murmelen, heel stil maar toch hoorbaar. Wat is dit in godsnaam?
ClaSo’s ogen schoten van links naar rechts, haar nagels klauwden in de zetel en ze woelde over en weer terwijl ze steeds opnieuw ‘Maarten… Maarten… Maarten’ mompelde. Wie of wat dat is blijft gevaarlijk giswerk.
‘Misschien.. Zal ik de 112 bellen?’ stelde Georg aarzelend voor. Bill keek met een ruk op, en net op dat moment werd ClaSo’s bovenlichaam de lucht in gekatapulteerd.
‘MAARTEN!!! Nee!!’ schreeuwde ze bijna de longen uit haar lijf. En je kan er donder op zeggen dat we ons allemaal kapot schrokken. Vermoeid viel ze weer achterover en terwijl wij ons herstelden van de plotse herrijzenis ging ze weer rechtop zitten. ‘Wat is er gebeurd? En waarom ligt dat op mijn hoofd? En wat zijn die kussens? He?’ vroeg ze engelachtig.
Het kon niet anders of ze was alles al vergeten. Nu moest ik toch even zitten. Bestaan er voorvallen in de geschiedenis waar mensen een goeie 10 15 min. compleet van de wereld zijn en er zich daarna niets meer van herinneren? Alleszins, nu wel dus. En dat voorval zat hier, recht voor mij, in de zetel, denkend voor zich uit te kijken. Ik hoorde bijna haar radertjes tot hier draaien, want ‘Waarom keek iedereen zo bezorgd?’ en ‘Wat had ik in vredesnaam toch gedaan?’ waren nu niet echt simpele vragen als je van niets meer weet.
Jup, ook het denken van de vrouw was een eitje voor me.

6

Bill

Ik wist niet wat ik hier nu mee aan moest. Vergeten? Maar wat ik wel wist was dat die keuze onmogelijk zou zijn. Als ik ergens mee in mijn hoofd zat, dan ging het er pas uit als het probleem opgelost was. En dat was nu niet echt wat er gebeurd was. Integendeel zelfs. Plots zakt Clara in elkaar, dan ineens is ze weer top fit en weet ze niet meer wt er nu juist allemaal gebeurd is. En wie is Maarten? Zie je, er waren er zelfs bijgekomen.
‘Je weet dus cht niks meer?’ vroeg David ongelovig, terwijl hij zijn das weer aanstropte.
‘Uhm… nee? Wat moet ik dan nog weten?’ antwoordde ze met een vraag.
‘Dat je … hoe zal ik het zeggen… in elkaar gezakt bent..’
‘WAT??!!’ riep ze, en dan vervolgde ze veel rustiger: ‘Nee dus.’
‘Enneuh… dat je constant iets Maarten of zo zei…’
Ze schudde haar hoofd. David keek haar even aan, haalde zijn schouders op en ging weer verder met zich klaar te maken voor de afspraak met Universal, waarvoor hij toch al hopeloos te laat was. Niet dat hem dat slecht zou bevallen want David stond bekend als n van die zeldzame producers in het artiestenwereldje die het ongeluk hadden gehad om een paar lastige kuikens onder zijn vleugels te accepteren. Waardoor het hem natuurlijk niet kwaad kon genomen worden dat hij zelden of nooit op tijd kwam. En dat was voor hopeloze overslaapramp David alleen maar een zege. En wij raakten niet van dat ‘lastige kuikens’-imago af. Terwijl kippen gewoon geflipte dieren zijn. Waar ik niet mee bedoel dat wij ook geflipte dieren zijn.
‘Oh, Bill!’ Ik keek op. ‘Je mag hoor!’ Clara stond voor me en keek me vrolijk aan. Ik grijnsde, maar binnenin trok het mannetje in mijn hoofd alle registers open op zoek naar wt ik dan toch precies zou mogen. Maar Clara bracht redding. Ze hurkte neer, legde twee vingers (ik kon zo precies zijn omdat elke vinger bijna een gat door mijn broek brandde) op mijn knie en fluisterde, zoals altijd vergezeld van haar meest guitige schattige oogjes: ‘Voor jou alleen ben ik Clara.’
Het mannetje hield het voor bekeken en plofte dodelijk vermoeid tussen alle paperassen neer, terwijl hij de schade die hij had aangericht nauwelijks kon overzien.
Nog steeds grijnzend, terwijl datzelfde mannetje ergens diep diep begon aan de grote schoonmaak, trok ik haar in n beweging recht naast me in de zetel. Maar, zoals je misschien al van mij kon verwachten, ben ik niet zo goed in het berekenen van de plaats waar voorwerpen landen als ik ze weetikveel naar waar wegslinger. Ik heb al ontzettend veel keer ontdekt dat als ik n of andere schoen uit mijn zicht wil gooien, ze in negen van de tien gevallen het hoofd van n van de bandleden raakt of toch tenminste iets wat het eigenlijk liefst niet mag raken, zoals daar zijn: de spiegel, een rondslingerende geopende cornflakesdoos of nog beter: mijn pas klaargemaakte glas melk.
En als je dit nu allemaal zo weet, valt het je zeker niet moeilijk om hieruit de concluderen dat Clara zo goed als zeker niet in de zetel belandde maar, zoals ergens voorspeld, half op mijn schoot. Ze keek me vragend aan en toen ik verontschuldigend terugkeek, gleed ze giechelend van me af. Ik opende mijn mond en wilde iets zeggen, maar David schraapte zijn keel en omdat ik voor een klein momentje geen lastig kuiken wilde zijn, slikte ik het in en luisterde met een geboeidheid die niet bij me paste naar wat hij te vertellen had.
‘Jongens, ik ben nu weg. Vanavond soundcheck, NIET vergeten. Het zou niet de eerste keer zijn, of wel? Ik zal –’ De rest van de zin ging verloren in verontwaardigd geloei van onze kant en Clara keek glimlachend toe. Natuurlijk wist ze niet waarover het ging.

Sofie

David was vertrokken. Omdat ik hier verder niets te zoeken had, behalve mijn vest die ik ergens op een stoel had gegooid, ik me niet graag het vijfde wiel aan de wagen voelde n ik niet echt gemeenschappelijke kenmerken had met noch Bill noch de andere jongens waarover we konden babbelen, zou ik beter vertrekken voor er gnante en/of pijnlijke stiltes zouden vallen.
Ik kuchte eens en voelde een fractie van een seconde daarna de blikken van Tom, Georg, Gustav n Bill als een levensgroot vraagteken tegen me aanknallen. Want wat zou ik te zeggen hebben? Wel, dit:
‘Nu, dan ben ik ook maar ‘ns weg. Nog veel euhm… plezier vanavond! En morgen ook natuurlijk!’ Ik stond op, scande de wagon en grijnsde toen ik mijn vestje tegenkwam, inderdaad over een stoel.
En plots golfde een stortvloed aan protest mijn oren binnen. Ze brulden allemaal door elkaar en toen ik elke stem even afzonderlijk beluisterd had, kon ik tot de overbodige conclusie komen dat ze vonden dat ik niet alleen naar huis mocht rijden want dat dat veel te gevaarlijk zou zijn en dat ik zeker een ongeluk zou krijgen en dat ze dat niet wilden want ze waren sowieso al uitermate bezorgd over fans van alle slag, of ze nu Bill gered hadden of niet, waar ik trouwens bedankt voor ben, en als ik alleen naar huis of waar dan ook zou rijden en het is knal dat er dan niemand is om hr te redden enz. enz.
Ik keek ze n voor n aan, terwijl ze met alleszeggende blikken en wanhopige hand-, arm- en hoofdgebaren me probeerden te overhalen. Plots kwam de gedachte in me op dat ik hier nauwelijks een halfuurtje zat en dat ze toch al zo bezorgd over me waren en ik kon het niet laten om trots te glimlachen. Doe het me maar eens na! En dan bedoel ik Bill redden en meegaan, niet als een halfzotte bijna over het trapje vallen bij het binnenkomen.
Ik liet me weer achterover vallen en kwam dan pas tot het besef dat ze gezegd hadden dat het gevaarlijk was om alleen naar huis te rijden. Waarom dan? Ik kon best wel al alleen rijden, zonder begeleider die verplicht is onder de 18, maar met nu nog twee weken te gaan was dat een feit dat ik het liefst zo bewust mogelijk over het hoofd zag. Eigenlijk, sinds ik mijn auto kreeg, reed ik al alleen. Wat ik alleen maar aanhaal om te bewijzen dat ik niet onervaren ben. Misschien gaat het nog altijd over dat in elkaar zakken?
Vanaf ik in de zetel zat, viel de protesttsunami stil. In plaats daarvan, en ik weet niet wat erger is, keken ze me allemaal fronsend aan. Ik ging meteen in de verdediging en sputterde: ‘Ja zeg, als ik niet alleen naar huis mag gaan, moet ik wel hier blijven! Tenzij jullie bang zijn dat ik iemand tegenkom die ik niet mag zien, natuurlijk!’ gniffelde ik nog. En aan hun gezichten te zien, hadden ze zover nog niet gedacht. Ik grijnsde en telde in mijn hoofd.
3… 2… 1 en…
‘Of euh… wij kunnen meegaan met jou?’ stelde Tom voor. Zie je wel! ‘Niet dat hier iemand rondloopt die je niet mag zien, behalve Bill ’s ochtends dan, maar- AUW! Moest dat nu?’ Bill keek Tom onschuldig glimlachend aan en trok de arm waarmee hij Tom net had gepietst nepsubtiel terug.
‘Maar wat?’ zei ik.
‘Nou, neem het niet beledigend op, h, maar uhm…’ Zijn blik gleed over me heen, bleef hangen bij de Tokio Hotelring die ooit in eens bij de Joepie zat – en voor de eerste keer in de leefperiode van die ring schaamde ik me kapot over de onvolwassenheid die door die ring met bakken over mij heen leek te komen – en keek daarna de andere mannelijke bevolking van de trein n voor n aan, alsof hij steun zocht.
‘Maar wat, Tom?’ zei ik nu, dwingender.
‘Maar hoe minder je over ons weet, hoe beter.’ Het hoge woord was eruit. En n ding was zeker, hij wou wel wat meer over mj te weten komen.

7

Toen ik me dat gerealiseerd had, was er geen enkel haar op mijn hoofd dat er ook maar n enkele seconde aan getwijfeld had om daaraan toe te geven. Weet je wat, Tommie, ook ik zal dat vuile spelletje spelen, ook ik zal zoveel mogelijk over mij en mijn leven verzwijgen, ook ik zal niet aarzelen om je op een verkeerd been te zetten. Eens kijken hoe lang je het zal volhouden. Nah.
Maar ik moest nog altijd antwoorden. ‘Is goed voor mij.’ zei ik nonchalant. Hij keek me raar aan, dacht zeker dat ik het had over zijn “hoe minder, hoe beter”, tss.
‘Dat jullie meekomen?!’ verduidelijkte ik.
‘Ah.’ Bedenkelijk keek ik hem aan en toen zei Gustav, die goeie ouwe Gustav, dat als we nog lang zouden wachten we zouden wortelen. Iedereen veerde op en even later, zo’n 5 min., liep ik naast Bill op het perron, nauwelijks beseffend dat ik, ik jaja, nu, dadelijk, over exact 26 seconden hen naar mijn kleine studiootje zou brengen hen, die ik tot voor kort enkel kende – of dacht te kennen – van posters, foto’s, ontelbare sites met even ontelbare verhalen, roddels, interviews, beschrijvende horoscopen en boekjes van alle slag die vertelden wat ze min of meer uit vertrouwelijke bron hadden ontvangen, sinds ze hun duim ook als vertrouwelijk hadden bestempeld.
Georg kwam naast me lopen, terwijl Bill naar achter was geraakt en met Tom discussieerde over het kleinste en Gustav smste met weet-ik-veel-wie.
‘Cool zeg! We kennen je pas, en we mogen nog al mee naar je “priv”! Lopen jullie in Belgi altijd zo vlug van stapel?’ grijnsde hij.
‘Wow! Waar gaan we dat schrijven, dat jullie gewoon wten waar jullie een concert hebben!’ kaatste ik spottend terug.
‘Zg!’ sputterde Georg lichtjes gepikeerd tegen, ‘ ’t was wel Bill die “Hallo Bulgarije!” zei in Kroati, h! Niet wij!’
Ik schaterde het uit en trok een deur open. ‘Ga maar zitten, beste James… euhm… Georg!’ James leek evenveel op Georg als Kroati op Bulgarije, en dus was het voor de hele wereld, inclusief mij, nog steeds onduidelijk wrom Bill zich in vredesnaam nu versproken had. Maar hij deed het zeker niet expres, want toen hij had beseft dattie verkeerd was, kreeg hij de kleur van een heel bakje aardbeien. Het filmpje haalde het magische kijkcijferaantal van 3 miljoen. En Bill, Bill bleef zich maar schamen.
‘Wat is zo grappig?’ vroeg diezelfde verspreker.
Maar toen we zijn o-zo-brave gezichtje zagen, kwamen we er gewoon niet meer toe om hem het er weer eens in te wrijven. Niet omdat hij er zo lief uitzag, gewoon omdat we half tussen een lachbui en schuldige grijns inschommelden. Uiteindelijk kon ik me niet meer houden, proestte het uit, waardoor ik van het lachen bijna een lantaarnpaal van zijn betonnen sokken reed, en probeerde Tom tevergeefs uit te leggen dat, hoe klein Belgi ook mag zijn, ik niet wist hoe dat meisje daar heette of die daar en dat ik ook heleml geen benul had van haar gsmnummer of dergelijke om de heel simpele reden dat ik ze gewoon niet knde. Maar op dat vlak kon Tom evengoed een steenezel zijn.
Op de duur werd het me zo teveel dat ik uit pure wanhoop de afstandsbediening van de ondergrondse garage van mijn blok naar zijn hoofd keilde. Ik merkte dat ik nog redelijk kon mikken want met een holle knots bonkte het ding tegen Toms voorhoofd. En wt er nu juist hol klonk laat ik in het veilige maar vage midden.
Ik grijnsde genietend voor me uit, tot ik totaal onverwacht het doosje ook tegen mijn hoofd voelde bonken. Ik schaterde het uit en keek via de achteruitkijkspiegel naar Tom die geniepig terugkeek. Mijn ogen gleden verder over Georg en Gustav, die allebei heel regelmatig hun wijsvinger tegen hun slapen tikten. Als laatste keek ik naar Bill, die ietwat geamuseerder het schouwspel had zitten bonken. En het kon niet anders of hij had het geroken, want ook hij keek net mijn kant op. Verlegen draaide ik mijn hoofd net te laat weg, en op de gezichten van de personen op de voorste stoel en die er net achter kon je twee perfect aan elkaar gelijke zelfgenoegzame grijnzen waarnemen, waar niemand kon overkijken, behalve ik, de domme kip, die zich met haar lijf geen blijf wist en als een idioot zat te blozen.
Want in Bills blik had ik niet alleen amusement gezien.

8

Man, was ik blij dat we er waren! Ik was bijna uit pure verlegenheid uit de auto gesprongen! Voor de poort remde ik en keek achterom. Ik had namelijk een prangende vraag.
‘Waar is dat bakje nu?’ vroeg ik. Tom haalde zijn schouders op maar bleef kalm zitten, niet van plan om zijn hele lichaam in beweging te zetten voor het vinden van zo’n onnozel doosje. En ook de anderen maakten geen aanstalten om deze zoekende te hulp te schieten.
‘Luiaards!’ mompelde ik in het Nederlands en deed mijn gordel los. Ik trok mijn benen helemaal van onder het stuur, draaide me om en ging, op mijn knien zowat tussen de zetels hangen.
‘Georg! Trek nu alsjebliiieef je benen ‘ns op, joh!’ zei ik benepen en waarschijnlijk ook wel wat moeilijk verstaanbaar aangezien ik met een kaak op Georgs knie was gebotst en bijgevolg op diezelfde kaak had gebeten. Toen hij dat deed kon ik nu pas helemaal de zetel onder handen nemen. Ik hing helemaal voorover en kwam pas tot het besef dat het wel erg grote gevaar op een onderrugverkoudheid liep als ik al 2 min. naarstig op zoek was. Na nog een kleine inspanning, want het doosje lag vr, had ik al een paar ideen, het ene al afschuwelijker dan het andere, opgerakeld over wt ze nu precies van me zouden denken. En midden in de *Jzus, wat een slet!*-denkpiste voelde ik een precies n vinger op nog preciezer n wervel. En niet alleen een wervel, ook een nagel. En de enige persoon met iet of wat deftige nagels hier in deze auto, was…
‘Bill! Ik schrok me bijna het pleuris!’ In n vloeiende beweging kwam ik recht en plofte weer zoals iedereen verondersteld wordt in een auto te zitten, met mijn voeten en benen onder het stuur.
‘Maaaar… Tadaaa!’ Ik zwaaide triomfantelijk met het bakje. Bill grijnsde en zei nepzeurderig: ‘Claraaa… Wat zijn luijjaardss?’ Nu was het mijn beurt om te grijnzen, zijn Nederlands was ook meer dan een goeie aanleiding, zei ‘Dat zijn jullie.’, en reed de garage binnen. Pas toen ik de motor uitdraaide viel Bills euro.
‘Pff…’ blies hij. ‘ZO lui zijn we nu toch ook weer niet?’ Ik schaterde het uit.
‘Keep dreaming, Bill. Keep dreaming!’ Plots vloog hij op mij af en deed dingen met mijn haar die ik nog niet eens door een kapper zou willen laten doen. En toen de rest ook doorhad dat ik vond dat ze minstens even lui waren als de gemiddelde koala in Planckendael, stierf ik net niet een extreem gewelddadige marteldood door gillend naar de lift te lopen. Maar ze waren snel, te snel. En de lift was traag, te traag. Ik gilde weer toen ik ze met hun verschrikkelijk nepmoordlustige blikken op me toe zag komen en begon als in de eerste de beste thriller met mijn vuisten op de inoxen liftdeuren te bonken. En terwijl ze steeds dichter op me toe slopen, was de aandacht voor de lift zelf helemaal weg. Wat dacht je, dat als je op het punt staat verslagen te worden door vier tegen n – meisje dan nog wel – je, en passant, ook nog eens diep nadenkt over het compleet onbelangrijke feit dat die lift misschien nog wel ‘ns zou kunnen werken? Nee dus. En daardoor merkte ik dus niet dat diezelfde inoxen deuren, waar ik zo vrolijk op stond te bonken, opengingen, en dat ik ei zo na het hoofd van de mens n de lift in elkaar beukte. Toen ze gilde – ongetwijfeld een ze – hield ik verschrikt op.
‘Trut!’ schold ze en toen ik zag wie me die waarheid zo duidelijk onder mijn neus wreef, zakte de moed me in de schoenen. Lysa, de dochter van de concirge, en Sally, Bianca en June, haar op zijn minst even geitige vriendinnen, die tevens ook f-
‘O my god! O my god! O my god! TOKIO HOTEL!!’ Wat ik dus trachtte te zeggen, Fan waren. En geen fans op mijn manier, zo van die fans die beginnen te gillen – check! –, te huilen – halve check! –, te flippen – DUBBEL CHECK! –, fans die gewoon alles deden wat ik niet deed, zoals vriendelijk zijn, kalm blijven en voorl NIET beginnen zeuren I love you, Bill! De fans waardoor haters nog meer gaan haten, snappie.
Bill, die het dichtst bij de lift stond, grijnsde gespannen. ‘Hey.’ piepte hij. ‘Alles goed?’
Verbeelde ik het me nu, of had de immer vrolijke Bill even gn zin in fans? De proef op de som.
‘De trap?’ brulde ik.
‘De trap!’ knikten ze allen hevig overtuigd. Ze hadden gn zin in fans. Ik greep onbewust Bills hand, sleurde hem mee naar een deur rechts van de lift, hoopte met heel mijn hart dat de anderen ondertussen nog niet besprongen waren, en voorspelde hoe de gezichten van die geiten er zouden uitzien als ze, zoals nu, de onverwachte levering door hun zwartgelakte vingers zagen glippen. En toen ik mijn visioen deelde met de jongens, hielden ze het niet meer. Hun gelach werkte heel aanstekelijk, en voor ik het goed en wel besefte lachte ik met de jongens mee alsof ik ze al jaren kende.
Pas op het derde verdiep (dus acht trappen) merkte ik de aanwezigheid van Bills ringen op. Wat erop sloeg dat ik dus al de hele tijd zijn hand had vastgehouden. Ik was ze helemaal anders beginnen zien, niet meer als beroemde sterren, afstandelijk en onbereikbaar, maar als vrienden. En toch… dit hoorde niet. Met een ruk trok ik mijn hand los, misschien wel harder dan ik bedoelde, en mompelde opdat alleen hij het zou horen: ‘Sorry.’ Ik lachte niet meer, bleef de trappen op rennen met twee treden tegelijk.
Het kon niet anders of ik ooit zou vallen en breken en alles zou uit me stromen, alles wat ik angstvallig probeer te verbergen voor deze wereld en haar bewoners. En dan, als ik gebroken was, kon ik niet meer gelijmd worden, een porseleinen pop die gewoon mooi staat te wezen en als ze valt onverbiddelijk doorverwezen wordt naar de afvalcontainer. Een porseleinen pop die door de kille steen sterk leek, klaar om elke slag eeuwig glimlachend op te vangen, maar als het erop aankwam zo broos was, zo afschuwelijk breekbaar dat je ervan zou walgen. Dezelfde steen die ervoor zo sterk leek, ligt in duizenden afzonderlijke stukjes op het tapijt, klaar om opgeveegd te worden, klaar om vergeten te worden, voor eeuwig “Dat arme gevallen meisje”. Voor eeuwig “Het was een ongelukje”, voor eeuwig “Ik koop meteen een ander”, even vervangbaar als de batterij uit de weegschaal.
Voor eeuwig alleen in de afvalbak.

9

Vijfde etage, zesde, zevende… achtste. Zo diep in gedachten verzonken, terwijl mijn borstkas net als die van de jongens zwaar op en neer ging, vergat ik hen te waarschuwen dat aan het trappenlopen eindelijk een eind was gekomen. Door hun vaart merkten ze pas een trap later dat ik weg was, en verbolgen van alles naar mijn hoofd slingerend keerden ze op hun stappen weer. Ik was ondertussen al binnen in mijn studiootje, en net als ik de deur wou sluiten stak Gustav als een volleerde Jehovagetuige zijn voet tussen de deur. Ik schoot in een angstige lachbui en liet me totaal onverwacht achterover de leuning van de zetel vallen. En minstens even onverwacht viel ik eruit, maaide bijna het vaasje tulpen van het salontafeltje, dat uiteindelijk na wat vervaarlijk wiebelen toch bleef staan, en landde dan pijnlijk hard op de grond. Elegant, Sofie. Elegant. En TH, TH kwam het eerste halfuur niet meer bij.

‘En? Wat willen jullie drinken?’ Ik zat in de zetel en negeerde bewust de uit het niets ontstaande lachbuien die het er nog wat dieper induwden dat ik de eerste indruk van mijn leefplaatsje volledig de mist in had geholpen.
‘Cola!’ Gewldig, na in koor lachen konden ze nu ook al in koor commanderen.
‘Voorspelbaar!’ zuchtte ik en hees me uit de zetel.
‘Misschien, maar nog niet zo voorspelbaar als ik wist dat je dat vaasje ging meehebben!’ spotte Tom. Bill probeerde zijn lach in te houden, Georg deed geeneens die moeite en Gustav zag de hele scne nog eens voor zijn ogen, en, je raadt het al, ging ook helemaal scheef.
‘Haha.’ bauwde ik. Maar toen belde een duivels plan aan, en wie zou ik zijn als ik niet opendeed? Het kon niet mislukken. Ik keek geniepig naar rechts en dan naar links, nam het schuldige vaasje, en duwde een tulp in elk hand van de stomverbaasde pestkoppen. En toen mijn bloemetjes uitverkocht waren, zei ik luid, omdat ik wist wat ging komen, ‘Bloemetjes hebben water nodig!’, waarop ik in een mooie boog het water uit het vaasje over de hoofden van de vier judassen uitgoot. Zoals ik al dacht, brulden ze als halfvermoorde speenvarkens. Gierend spurtte ik naar de keuken, en zoals de meeste natgegoten Jehovagetuigen gaf Gustav het eindelijk op toen ik de deur weer vlak voor zijn neus dichtgooide.
Ik wiste net tranen van het lachen uit mijn ogen toen ik later terugkwam met vier kleine handdoeken in plaats van vier cola’s. Het leek alsof ze zich schikten in hun lot, want ze zaten wat te grommen, maar toen ik ze de handdoekjes gaf schokten mijn schouders van de volgende aankomende lachbui, om de toch wel overkomische scne die zich voor de gelegenheid had vermomd in vier (klets)natte jongens met twee tulpen in hun ene en een handdoek in hun andere hand, die zich bovendien nogal onhandig stonden af te deppen – Bill vooral – of af te drogen.

‘Nu, ik haal jullie drank. Kunnen jullie wat bijkomen!’ grinnikte ik; mijn stem klonk wat vervormd door het angstvallig ingehouden lachen.
‘Zolang het maar geen water is.’ zei Gustav sarcastisch. Dat was de druppel (water). Ik holde gierend naar de keuken, morste van het lachen met de cola, en nog nahikkend zette ik hun glazen voor hun neus. En net op het moment dat ze het allemaal optilden probeerde ik droog te zeggen, proberen ja, want met die nattigheden die zich nog altijd voor mijn ogen zaten af te drogen, was het nogal moeilijk om droog te blijven: ‘Mors niet, h!’

----------------------------------------------------------------------------
Opgedragen aan Dorien, schrijfster van Nothing Lasts Forever, het verhaal waardoor ook ik gebeten werd door de schrijfmicrobe <3

10

Bill

‘Nee! Please! Komaan, dat maakt vlekken!’ Dat was het enige wat ze kon inbrengen als bezwaar.
‘Wie zegt dat we het met de cola gaan doen?’ siste Georg. Tom was de grote afwezige, maar we wisten allemaal – Clara incluis – wat hij aan het doen was. In de keuken gingen kastdeuren open en weer toe, hij was op zoek naar wat hier de enige mogelijke oplossing was. Ze moest ermee ophouden. Eerst gooit ze water over ons heen, brengt ons dan, alsof ze spijt heeft, handdoeken en dan, dan zegt ze dat WIJ niet mogen morsen?! Vergeet het maar, was onze gezamenlijke gedachte, en dus hadden Georg, Gustav en ik haar een hoek ingedreven en was Tom ijverig op zoek naar een emmer. Om die te vullen met water, en wat we er daarna mee zullen doen, is niet moeilijk te raden. Boeten zal ze. Zeg dat ik het gezegd heb!
‘AHA!’ riep Tom, en hij stak zijn hoofd even om de deur en zwaaide met een grote, rode emmer. ‘Warm of koud?’
‘WARM!’ brulde Clara, maar ze had haar mond nog niet geopend of wij brulden al over haar heen. ‘Koud natuurlijk!’, en Gustav bromde nog iets wat wij alleen maar konden beamen: ‘Hoe kouder, hoe liever.’
Toms ogen flikkerden en 5 seconden erna hoorden we de kraan lopen. We keken alledrie naar Clara, die ons dan weer smekend aankeek en een diepe zucht produceerde toen ze merkte dat we alledrie onverbiddelijk waren.
En dan maakte de emmer zijn opwachting. We stopten er allemaal even ons hand in, alsof we wilden voelen wat er gebeurt als er ook echt water over je heen komt. Gelukkig was de emmer niet te vol, maar wel vol genoeg om haar tot op haar botten te doorweken. ‘Jongens?’ probeerde Clara nog een laatste keer. ‘Alsjeblief?’ Ze zette haar meest smekende ogen op, een pruillipje verscheen.
Als we nog lang zouden wachten, zou ik medelijden krijgen, ik zweer het. Ik bedoel maar… zouden we dat nu wel doen? Ik wist dat het risico bestond dat we alles kapot maakten. Ik was echt in staat om de hele operatie op te blazen binnen de 30 seconden, als Tom nu niet voortmaakte.
Er nestelde zich een dubbel gevoel in mijn buik. Het ene schreeuwde om wraak, terwijl het tweede fluisterde dat het behoorlijk zielig was om koud water over haar heen te kappen, dat ik dat niet kon maken als ik haar cht mocht. Nog even en het fluisteren zou luider klinken dan het schreeuwen.
‘Alsjeblief?’ piepte ze. Tom had geen dubbel gevoel. Zonder pardon en met de precisie van een scherpschutter plensde hij de kwartvolle emmer tegen Claras lichaam. Ze gilde het hele blok uit zijn saaie, bezwerende en alles verdovende coma. Zelfs ik. Buiten vlogen kraaien geschrokken op, ze schreeuwden verontwaardigd.
God, waarom laat ik toe dat ze dit met me doet? Waarom, beste Alwetende, waarom laat ik toe dat ze iemand in me naar boven haalt, iemand, waarvan ik wist dat hij er was maar de zin niet vond om hem ook echt over mij te laten regeren? Zeg het me, Gij Die Alles Ziet, want ik, ik zie door de bomen het bos niet meer. Ik, ik die verblind ben door dit raadsel.

11

Tom

De druppels gleden over haar kaak, langs haar nek, zo naar plaatsen waar ik nooit zou mogen komen. Haar bruine haar waren ineens pikzwart, het hing in mysterieuze slierten voor haar gezicht. Haar hoofd was gebogen, maar we hoorden haar huiveren. Haar huid werd bleek, ze kwamen in schril contrast met haar vlammend rode lippen. Op de n of andere manier deed ze me een beetje aan Sneeuwwitje denken.
Haar haar was zwart als ebbenhout, haar lippen zo rood als bloed en haar huid zo wit als sneeuw. Iedereen hield van haar…
Plots tilde ze haar hoofd op, keek ons allemaal zo ijzig aan dat we ervan rilden, en ik wist dat we te ver waren gegaan. Haar lippen waren een dunne rode streep, het bloed van het geschoten dier in het ondergesneeuwde bos. Ze keek weer naar beneden, volgde met haar ogen de weg die het water ook had gevolgd, naar de plas rond haar blote voeten. Ik was een monster.
Met een ruk zwierde ze haar haar naar achter, de druppels spatten op ons gezicht. Niemand reageerde. En niemand bewoog. Ze had ons allemaal, stuk voor stuk en n voor n, doen verstijven met haar blik.
‘ ’t Spijt me…’ mompelde ik. Ik meende het ook.
‘Mij ook.’
‘Idem.’ fluisterde Gustav aangedaan.
Alleen Bill zei niets, beet op zijn lip, probeerde te hard geen flauwe excuses te verzinnen, zo hard dat het uiteindelijk toch uitdraaide op: ‘We hadden niet… mochten dat…’ Hij zuchtte. ‘Mij ook.’
Haar gezicht plooide open in een “Spijt komt altijd te laat.”-grijns, zag met genoegen hoe het schuldgevoel boven onze hoofden uitsteeg. Ze kruiste haar armen voor haar borst en haalde diep adem. Hoewel het water nog steeds uit haar haren drupte, langs haar kaak in haar nek gleed en naar plaatsen ging waar ik nog steeds niet mocht komen, leek ze boven ons uit te groeien. Welke straf ze ook bedacht, ik zou niet tegenpruttelen.
Zonder ook maar enige aanleiding proestte ze het uit. ‘Ik denk dat ik jullie nu wel al genoeg heb doen lijden,niet? Zo’n zielige gezichtjes!! Wat zou Bravo daarvan vinden?’ We keken haar geschokt aan. Wat had ze gezegd? Dat meent ze niet h, nee, dat meent ze niet! H, ja toch? Angstige blikken gingen over en weer.

‘Zie je!’ zei ze.
‘Dt bedoel ik nou! Jullie kunnen, drven geen plezier meer maken. Constant lopen jullie jullie af te vragen wat er over jullie gedacht wordt! Daar in die minder bekende achterhoofdjes flikkert onophoudelijk een helblauwe neon: “WIJ. Uit. WORDEN. Uit. BEKEKEN. Uit. ” En weer opnieuw. Het zit daar al een hele, hele tijd. Durf de stekker eens uit dat spel te trekken, of beter, gooi het gewoon BUITEN!
“De commentaren deren ons niet”, maak dat alsjeblief de ganzen wijs, niet ons! De fans weten heus wel meer over jullie achtergrond dan jullie vermoedden. Fans, die verdomme fans geworden zijn DOOR jullie achtergrond. En dan bedoel in niet Bills achtergrond, Toms achtergrond. Nee, Georg en Gustav, nee. Ik bedoel evengoed die van jullie!
Weet je, als ik foto’s zie, dan… dan vraag ik me af wat jullie cht voelen, snap je? De wereld zorgde ervoor dat jullie een muur bouwden, een muur die jullie optrekken bij de eerste tekenen van “Dit kan iemand die we niet kennen en niet begrijpen niet goed vinden”. De. Stekker. Eruit. Ik…’
Plots viel ze stil. ‘Sorry. Ik… stelde me weer aan. Vergeet wat ik nu gezegd heb, ok? Ik ben niet goed snik.’
Ik had opeens ontzettend veel zin haar te knuffelen.
Ze kon in ons kijken, ze is verdomme het eerste meisje dat ons begrijpt, het eerste meisje dat ons hart leest met het gemak van een peuterboekje met een veels te groot lettertype. Alsof zij het is die ons leven leefde en niet wij, simpele stand-ins, alsof zij… ons is.
Hoe had ik ook maar n nanoseconde kunnen vergeten dat d meisjes ook bestonden?

12

Sofie

Ik moest ook altijd zo overdrijven! Ok, ze hadden me wel natgegoten, maar was dat daarom een reden om zomaar alles wat ik dacht dat ik het ze nooit zelf zou zeggen in hun gezicht te gooien? Hoe kan ik ze wijsmaken dat ik niet meende wat ik zei?
Het punt was: ik meende het wel. Hoe red ik-
‘Heh?’ Als n man waren ze naar me toe gekomen, en nu was ik het middelpunt van een grote groepsknuffel. Ik kon me niet eens meer bewegen. Wat- Waarom knuffelden ze mij? Ik bedoel, ik vind niets persoonlijker dan een knuffel. ZE KENNEN ME NIET!
‘Jongens, ik snap niet wat- Trouwens, ik ben nat!’
‘Vinden we niet erg.’ murmelde Gustav. ‘Maar ik wel!’ piepte ik, want Gustav had bij wijze van extra bevestiging van wat hij daarnet gezegd had zijn arm nog steviger rond mijn nek geklemd. Zonder acht te slaan op mijn protest liet hij me wat losser.
Maar ach, waarom zou ik protesteren? Ik mocht ze wel, die gastjes! Ik grijnsde en sloot mijn ogen. Ik was trouwens nog nooit door vier jongens tegelijk geknuffeld. Deze hele knuffel was een aaneenschakeling van korte, lichtelijk ironische gesprekken, zoals deze:

‘Clara?’ pruttelde Bill in mijn oor. ‘Ik voel je hart.’
Ik zuchtte. ‘Logisch als je zo dicht bij me staat dat je me kan wurgen! Maar uhm…’ Ik bracht mijn mond dichter bij zijn oor. ‘… als je dat kan geruststellen… ik voel het jouwe ook!’

Of deze:
‘Sofie?’
‘Georg.’
‘Hoe wist je dat allemaal?’
‘Niet.’ antwoordde ik. ‘Ik dacht dat. Echt.’ Hij zuchtte, zijn warme adem blies in mijn nek.
‘ ’k Geloof je niet.’
‘Pech gehad.’ zei ik, en daarmee was de kous af.

Of nog:
‘Claso? Heb je geen koud?’
‘Misschien een klein beetje, Tom. Zo’n goeie kachels zijn jullie ook weer niet!’ Ik kreeg meteen een vriendelijk bedoeld tikje tegen mijn achterhoofd, maar als je weet dat het van de hand van Gustav is, en als je ook weet wat een hels lawaai hij kan veroorzaken met even simpele tikjes, valt het niet moeilijk te besluiten dat het simpele tikje harder aankwam dan bedoeld.

Of erger:
‘Ik voel dat je koud hebt.’ zei Tom, met zo’n guitige dubbele ondertoon. Maar ik moest hem teleurstellen.
‘Dat zijn de knoopjes van mijn T-shirt.’
‘Oh.’ zei hij toonloos. ‘ ‘k Dacht dat het-’
‘Ik WIL niet weten wat je dacht.’
‘Kinderen.’ zei Bill, en schurkte nog wat tegen me aan. Bill. Schurkte. Tegen. Me. Aan. Wg logica!
‘Je bent even oud als Tom.’ verpestte ik zijn “Ik-ben-oud-en-wijs”-dagdroom.
‘Fijn.’ zei hij tegen mijn schouder.

Of nog ntje:
‘Zeg ‘ns, zie ik eruit als een kapstok?’
‘Nope.’
‘Nee hoor.’
‘cht niet!’
‘Goh…’
‘TOM!!’ brulden de vorige drie in koor.
‘Nee dus? Waarom laten jullie dan jullie volle gewicht aan mij hangen?’
‘Je bent zo’n goed kussen.’ murmelden ze.
‘Excuseer?’
‘Sstt, Claso, kussens horen niet te praten!’
‘En als ik dat nu wel eens doe?’
‘Dan ben je een ongehoorzaam kussen. Punt.’
‘Wat “Punt.”? Er is hier geen “Punt.”! Ik wil hier wel eens over discumhmm!’
Tom had zijn hand op mijn mond gelegd; hij had absoluut geen behoefte aan ongehoorzame kussens. En omdat ik me niet kon bewegen wegens het doorgaan voor semi-kapstok, kon ik niets aan de situatie veranderen.
De kussen-kapstok was zonder pardon het zwijgen opgelegd, en terwijl ik zo langzamerhand begon op te drogen (lees: uitgedrupt was) dommelden op mijn schouders vier jongens in, in een hazenslaapje, schoonheidsslaapje of ander vermaak voor de hersens.
En nu maar hopen dat ze niet kwijlen.

13

‘Ik begin stilletjes aan te begrijpen waarom Tom zo af en toe eens een verzetje nodig heeft… Hij kan zijn affectie zo nu en dan ‘ns kwijt, maar jullie…’ De jongens waren er nog altijd van overtuigd dat ik een kussen was. En Tom dat hij veel makkelijker zou kunnen liggen zonder zijn in bochten gewrongen hand, dus kon ik – even – weer praten.
‘Vind je ’t vervelend?’ vroeg Georg.
‘ ‘k Weet niet… Ik weet gewoon niet wat ik er mee aan moet, snap je? Toen ik gisterenavond in mijn bed kroop, was dit alles hier nu geeneens een mogelijkheid!’ Het bleef stil.
‘Ik volg.’ zei Georg. Ik glimlachte. ‘Maar daarom gaan we nog niet van je af.’
‘Zullen we nog wel eens zien.’ Ik kietelde Bill tot hij gillend opsprong, strekte mijn been zover dat Gustav onderuit ging, ging door mijn knien en voor Tom en Georg doorhadden dat hun kussen voetjes had gekregen, huppelde ik al naar de badkamer.
‘Waag het ‘ns te komen kijken!’ riep ik nog dreigend genoeg en gooide de deur achter me in het slot. Ok, WAT was er me nu weer overkomen?

Bill

Ik kon zo nog wel eeuwen blijven soezen. Clara mocht beweren wat ze wilde, ik had nog nooit zo lekker gelegen. Plots voelde ik lange, kietelende vingers in mijn zij. Dr kon ik niet tegen, het leek me dan ook meer dan normaal dat ik veel te wakker opsprong en besefte dat Clara ons eindelijk van haar af had weten te schudden.

‘ ‘k Geloof ze nog steeds niet.’ zei Georg.
‘Nogal logisch ook, ik bedoel, wat ze daar allemaal zei… Het leek alsof-’
‘- ze ons was.’ vulde ik Tom aan. Iedereen knikte.
‘Mag ik zeggen dat ik dit behoorlijk vreemd vind?’ Gustav wist niet wat hij hiervan kon denken. En eerlijk gezegd, er was ook helemaal niemand van ons die er ook maar een grammetje benul van had.
‘Op z’n minst het vreemdste ever. Maar verder is ze wel leuk, toch?’ viste ik.
‘Bill? Wat probeer- OH NEE! Bill, waag het niet om het weer zover te laten komen als met Jill!’ Tom maakt graag misbruik van mijn zwakke plekken. Er was overigens geen tekort aan. Mijn ogen smeulden.
‘Ziet ze eruit als Jill?’ Mijn stem kerfde. Toen er geen antwoord kwam, ging ik verder. ‘Gedraagt ze zich als Jill?’
Tom had eindelijk de moed gevonden om me van repliek te dienen. ‘Nee en nee, maar.. ben je haar nu al vergeten? Ben je nu al vergeten dat we door haar bijna.. bijna…’
‘… gesplit waren..’ Hij had het een beetje moeilijk.
‘NEE! Nee, ik ben Jill nog niet vergeten. Verre van, zelfs. Hoe kn ik haar vergeten, zij, die de enige was die tussen ons kon komen.. drfde komen?’ Een droge snik vond zijn weg naar de buitenwereld. Maar ik dwong mezelf weer kalm te worden. Ik had al genoeg om haar gehuild, en daarbij, ze is het niet waard. Ik ging niet nog eens dezelfde kostbare tranen aan haar verspillen, niet weer dezelfde fout. Verdomme!

Tom

Ik vervloekte in stilte mijn grote mond. Ik wst dat ze nog steeds door Bills hoofd rondspookte, dat mens, maar ik moest en zou blijven natrappen. Mij zou zoiets niet overkomen, haha. Opperste pret.
Maar anderzijds, Bill wist nu wel waar we bang voor waren. David kon niet alles blijven verbergen voor de pers. Ik wist niet of ik nu goed of slecht had gedaan. En ik zou het Bill ook nooit kunnen vragen.

De deur zwaaide open. ClaSo. Hoelang stond ze daar al? Of vooral, WAT had ze gehoord?

14

Het leek alsof de tijd even stilstond. Niemand zei iets, wachtte af tot er iets zou gebeuren waardoor ze het gezegde uit hun hoofd konden verbannen. Het leek alsof de tijd even stilstond. Niet ontzettend lang, maar lang genoeg aan om aan ClaSo’s gedragingen te proberen voorspellen hoeveel ze gehoord had. Lang genoeg ook om te zien dat ze haar haar had gedroogd en gestijld, om te zien dat ze een rood topje met langs de ene kant een mouw en langs de andere kant niet (de naam ontsnapt me even) en een jeans had aangetrokken, om te zien dat haar voeten in teenslippers staken, om te zien dat ze nog mooier was dan ik haar ooit had gezien. Mooier dan Sneeuwwitje.

‘Wakker?’ vroeg ze, en zo goed als meteen erna, ‘Tom, hou op met staren! Volgens mij moet het concept “meisje” je bekend in de oren klinken, of vergis ik me?’
Ze liep naar de zetel, draaide af bij mij om mijn mond toe te duwen – hoewel dat geeneens nodig was – en plofte in kleermakerszit naarst Bill in de zetel.
‘Joehoe? Wakker, vroeg ik!’
‘Goh, nu je ‘r over begint… Ik voel precies weer een klein slaapje opkomen…’
Claso sprong recht. ‘Ik pas.’ Ze kwam uit de keuken met een dweil en begon het water weg te werken. ‘Zo gaat dat dus altijd met mannen! Vrouw mag altijd de rommel opruimen, en de man-‘
‘Mijn nagellak!’ wierp Bill op.
‘Rugpijn.’ improviseerde Georg totaal niet overtuigend.
‘Mijn voet slaapt!’ beweerde Gustav.
‘Goh, ik ben ineens z duizelig!’ verzon ik.
‘-mannen dus, die verzinnen smoesjes aan de lopende band!’
‘Nietes!’ riepen we protesterend door elkaar. Eigenlijk zijn we kinderen, maar dat mag je aan niemand vertellen.
Grinnikend liep ze weer naar de keuken, waar ze de emmer leeggoot en met veel kabaal wegzette. Ze kwam weer in de zetel zitten. Het was stil, buiten trok een auto op.

‘Nooit gedacht dat jullie zo saai waren!’ zei ze, haar ogen twinkelden.
‘Wat, saai?’ zei ik. ‘Moet ik anders nog een emmertje water halen misschien?’
‘Als je hem over je eigen hoofd giet heb ik er totaal geen problemen mee! Ik wil jullie reactie ook wel eens zien!’ lachte ze ondeugend.
‘Ok,’ zei Gustav, ‘dat wordt nog een emmer.’
‘Voor jullie?’ hoopte ze.
‘Nee.’ Ze lachte, maar toen Gustav ook echt opstond, vluchtte ze weg. ‘Geen tweede keer hoor!’ riep ze en huppelde naar de gang. We gingen haar achterna, natuurlijk.

Sofie

Ze meenden het niet. Ik denk niet dat ze nog een hele “ik-weet-wat-jullie-denken”-speech konden incasseren. Ik ging mijn kamer in en sloot de deur. Langs de kant van de klink vatte ik post, vergezeld van mijn allerbeste vriend, Meneer Kussen, klaar om de eerste gast die mijn kamer met een bezoekje vereerde, zijn bekomst te geven.
De klink ging naar beneden, en kwestie van het verrassingseffect des te – euhm – verrassender te maken, wachtte mijn bezoeker nog even voor hij de deur openstak. Maar ik was niet imponeerbaar. De onfortuinlijke bezoeker hier was Georg. Het kussen plofte hard en vooral totaal onverwacht in zijn gezicht.
‘Umpfh.’ zei hij, en deed een veilige stap naar achter.
Ik giechelde en viste nog een kussen uit de zetel. Ze gingen mijn kasteel niet zonder slag of stoot veroveren!
Het was even stil, maar plots stoven ze onder luid gebrul binnen. Ik was zo getrommelvliesgeterroriseerd dat ik ze vergat te waarschuwen. Voor hen was mijn kamer een regelrecht spiegelpaleis. Op dat vlak was ik ook maar een kind van de consumptiemaatschappij.
Midden in hun gebrul stokten hun stemmen. Als hun mond nog niet open was geweest, hing hij nu zeker tot voorbij hun knien.
‘What the…’ stamelde Tom.
‘Oh boy.’ zuchtte Bill.
‘…’ was de veelzeggende reactie van Georg.
‘Hoeveel.. euhm…?’ vroeg Gustav ongelovig.
’82!’ lachte ik breed. Ze hapten naar adem. ‘Echt?’ piepte Bill. Hij moest zich beslist een beetje nietig gevoeld hebben. Hun ongeloof ruimde baan voor nieuwsgierigheid. Tom brak zijn hoofd over een pet die hij al uwen niet meer gezien had, Georg en Bill grijnsden trots toen ze hun blote bovenlijven naast mijn bed ontdekten, en Gustav lachte hulpeloos om een helemaal met modder besmeurd marcelleke van de Zimmer-editie. Joost mag weten waar ik die posters allemaal vandaan had gehaald.
In de living rinkelde de telefoon.
‘Jongens, als jullie uitgekeken zijn, kijk ‘ns onder het raam!’

‘Hallo, met Sofie!’ Mijn standaardzin qua telefoon-opnemen.
‘Hey, liefje!’

15

‘Ik ben je liefje niet! Wel uw huurder, Roger!’
‘Stil nu maar! Je weet dat je over twee weken huur moet aflossen, en die van vorige maand is ook nog maar de helft betaald.’
‘En u weet dat vanaf maandag, overmorgen dus, het zwembad drie weken gesloten is wegens vakantiestop?’
‘Weet je, schatj-’
‘IK BEN OOK UW SCHATJE NIET!!’
‘Shh… Ik kan die huur wel eens door de vingers zien, als je nu maar eens wat liever tegen me zou zijn… snap je?’
‘Vetzak.’
‘Dat is niet lief.’
‘Mijn bedoeling.’
‘Je zal ooit wel ‘ns bijdraaien, ze hebben allemaal al toegegeven… Trouwens, poesj-’
Juffrouw De Goeste.
‘Lysa zei dat je vier jongens op bezoek hebt… Ze wou dat ik mijn loper gebruikte, weet jij waarom? Maar misschien wip ik wel even binnen… Haha, wip, snap je??’ Een vettige lach schalde door de hoorn. Nog even en ik moet kotsen.
‘Waag het eens binnen te komen!’ Hoera, die vent krijgt me altijd in no time op mijn kookpunt.
‘Lieve schat, je weet dat ik niets tegen orgien heb, als ik maar mag meedoen!’ Ik hoorde hem hijgen door de telefoon. Genoeg! Ik gooide de hoorn op de haak. Veel te woedend, zodat de telefoon uiteindelijk nog op de grond belandde.

Roger Verkaemercke, mijn huisbaas; concirge; en ongelooflijke pervert. Grijs vlassig haar; kleine varkensoogjes in een pafferig gezicht; een flanellen ruitjeshemd dat om zijn bier-en-andere-vettighedenbuik spande, die zo norm was dat Roggie zker zijn broeksknoop niet meer kon zien, laat staan aanraken; constant op sloffen en in bouwvakkerbroek – bij het bukken natuurlijk vergezeld van een gigantisch bouwvakkerdecollet; en de enige plek waar hij geen dikke stinkende sigaren pafte was in de kamer van zijn oogappel Lysa. Jep, d Lysa.
Maar of ik echt 73 woorden nodig had om hem te beschrijven, nee. Een vicieuze vetzak. 14 letters volstaan ook.
De huur. Mijn ouders betalen de ene helft, en ik de andere. Maar wegens gebrek aan job, tenminste, voor drie weken, had ik geen inkomsten meer. Misschien had ik nog wat spaargeld… Maar dat zijn zorgen voor later. De zorg die nu het hoogste belang had, was de vraag of de jongens toevallig mijn kamer niet aan het verbouwen waren. Onder mijn raam hadden zich namelijk de onderdelen van een Playstation verzameld, en als ik de interviews en vele vele FanFictions mocht geloven, zouden ze daar een moord voor plegen.
Nietsvermoedend opende ik de deur, maar wat ik niet wist, was dat Bill, Tom, Georg n Gustav nauwkeurig de baan van de openzwaaiende deur hadden berekend en zich zorgvuldig over de hele lijn hadden opgesteld, met elk minstens n kussen – wrom had ik trouwens zovl kussens? – klaar om me er weer eens goed van langs te geven vanaf er ook maar n DNA-molecule met mijn genetisch materiaal over de drempel zou drven komen.
Ik had toch op z’n minst even kunnen nadenken wat er voor reactie zou komen op het kussen in Georgs gezicht, dan had ik me mentaal al wat kunnen voorbereiden op acht kussens + strijdlustig gebrul, terwijl het nu eerder een zware psychische schok was. Ik kruiste mijn armen voor mijn gezicht, alhoewel dat weinig uithaalde, maar raakte toch puffend door de barrire; ik moest en zou bij mijn geheim wapen komen.
Half onder mijn bed lag namelijk een XXX-tra groot kussen, met van die witte kleine isomo bolletjes. Zoals stiekem verwacht gingen ze allemaal tegen de vlakte. En ik was mijn kussen kwijt. Met zijn vieren tilden ze het op, slingerden het naar me en zagen met plezier hoe ik als een rietje tegen de grond gekegeld werd. En zonder me te waarschuwen gingen ze allemaal op het kussen liggen. Ik lachte, het kussen schudde.
‘Straks stik ik nog.’ zei ik. Niemand reageerde, integendeel zelfs. Ze nestelden zich nog meer op het kussen.
‘Jullie zijn zo heerlijk bezorgd alweer!’
‘Nu komt mijn laatste adem.’ pufte ik, en blies zo hard dat Georgs haar in zijn gezicht waaide.
‘Zg, nu ben ik mijn tel kwijt!’ riep hij verontwaardigd. ‘Ik zat aan 53!’

16

Ik ga de jongens eens goed doen schrikken. Dat was de enige en enigste zinnige gedachte die zich aandiende. En toen ik met vier tegen n overmacht onder het kussen belandde, ging een spaarlamp aan in mijn bevolkte hoofd. Het idee kwam traag op gang, zoals de meeste spaarlampen, en toen ik besliste om tot de uitvoering over te gaan, had ik nog niet aan de gevolgen, laat staan aan de onvoorziene omstandigheden, gedacht.

Misschien hadden jullie al een klein vermoeden wat betrof de financile betrekkingen van mijn kant, maar vooraleer jullie beginnen gokken (wie weet wat eruit komt –hoer of zo), vertel ik dat ik deze zomer als redster in het zwembad van Oudergem, op een stap van mijn – eigenlijk dus onze – toekomstige universiteit, en op nog geen 5km van mijn kleine studiootje, dat zoals gezegd, in de Brusselse rand lag.
Het verdiende aardig, en in afwachting van mijn studiebeurs voor knelpuntberoepen, vond ik het niet erg om mijn handen uit de mouwen te steken en verder vond ik het een behoorlijk prettige en geruststellende gedachte dat er altijd een hoopje geld op me lag te wachten, voor als ik het ooit op de n of andere manier voor elkaar kreeg dat ik in geldnood zat.

Omdat ik daar al drie zomers op rij mijn opwachting maakte, kende ik de mensen n zij mij. Ik wist dat het voltallige zevenkoppige gezin Reveyn elke zondagochtend van 10 tot 11.30uur kwam zwemmen. Ik wist dat meneer Couillet; Eugene; elke dag een paar baantjes – zo’n 20 – kwam trekken om zijn voetballersconditie op pijl te houden. En ik wist dat Hilde Taghon, de jonge moeder van de tweeling Tieme en Myrthe, nog elke keer als ze me tegenkomt dankjewel zegt. Voor ik vertel waarom, moet het eerst geweten zijn dat ik voor ik solliciteerde me in een cursus “Redden” had ingeschreven, en toen hij afgerond was, hoopte ik met heel mijn hart dat ik nooit mijn kennis zou moeten gebruiken.
Maar alsof het lot ermee speelde, was het nauwelijks een zomer later van dattum.

Ik stond op en rekte me uit. De zon die door de glazen muur aan n van de zijkanten van het grote rechthoekige gebouw – dat ik sinds toch al even mijn werkplaats mocht noemen – kwam,had mijn rug verwarmd.
Over 10 minuten zat mijn dienst erop, zag ik toen ik mijn ogen tot spleetjes kneep om naar de enorme klok boven het omlijnde gat in de muur waardoor de mensen van de douches naar het zwembad en omgekeerd konden gaan keek. Ik begon steeds slechter te zien. Zelfs mijn lenzen, die – logisch – hier verboden waren, konden daar niets aan veranderen.

Ik wandelde kalm naar het midden van het complex en zette de paddenstoel in het peuterbadje aan. Terwijl mijn ogen de schaterende ukjes die eronderdoor holden en op hun weg naar hun rustig met elkaar keuvelende mama’s door de kracht van het water struikelden en proestend en met grote verschrikte ogen weer rechtkrabbelden, niet wetend wat hen overkwam, tot ze de lach van hun respectievelijke mama herkenden en dat zo ontzettend interessant vonden dat ze uit pure nieuwsgierigheid zich nog eens lieten neervallen en verbaasd opkeken als weer datzelfde resultaat bereikt werd, gade sloegen, steunde ik mijn hoofd op mijn hand en verheugde me al op straks. Als mijn shift over was, had ik nog twee schamele uurtjes over om de chloorlucht van me af te spoelen, iets te eten en mijn nest wat op te ruimen. Soetkin, Kirsten, Elke en ik gingen naar de premire van Renate’s toneelstuk.

Hee, Renate, die kennen jullie nog niet! Kleine acte de prsence, Renate Thyrre was een jaar jonger dan ik maar van 5 juli tot 27 augustus waren we even oud. Renates ouders waren gescheiden en alletwee zo zelfstandig als die ene achtergelaten boom op de E313. Haar vader en zijn nieuwe vriendin hadden een bakkerij slash krantenwinkel, wat voor Renate en wij ontzettend goed uitkwam, omdat we als enige altijd wisten hoe ons geld te plannen dat we net genoeg bij hadden om het aantal “boekskes” te kopen waar die week TH in verscheen. Want ja, ook Renate was fan.
Haar moeder schilderde en verkocht haar werkjes zelf, en fladderde van de ne vent naar de andere; Renate vond ze stuk voor stuk even verschrikkelijk en dat was dan ook de reden dat ze zelden nog bij haar moeder op bezoek ging.
Renate deed aan dictie en dans, ging in de tussentijd ook nog naar school – op datzelfde instituut waar wij eindelijk van af waren – en op dat moment was ze naar eigen zeggen n blok pure stress voor haar allereerste toneelstuk waar ze de hoofdrol in speelde.
Renate had nogal last van een laag zelfbeeld, en hoeveel we ook bleven herhalen dat ze alle redenen had om gelukkig te zijn met haarzelf, het wou er maar niet in dat overleven op wortels alleen ongezond was.
Maar tegelijkertijd was Renate n van de tofste, liefste en dierbaarste personen die mijn leven kleurden.
Maar bon, we gaan verder.

Mijn blik bleef hangen op een jongentje; ik schatte hem een jaar of drie; dat over de brede rand van het peuterbadje kroop en wegholde. Ik keek of zijn mama het gezien had, maar zijn had het te druk met haar andere kindje, een meisje. Die mama was nog jong, ze leek niet ouder dan 20. Ik haalde mijn schouders op en zwaaide door het raam van de cafetaria; die uitkeek op het zwembad, naar Liesel en Tim, die al wachtend op me te vervangen nog even van hun cola dronken en als ze me zagen zwaaien opstonden, terugzwaaiden en hand in hand vertrokken om zich te gaan omkleden.
Ik grijnsde voor me uit als ik dacht aan hoe ik, toen ik hier voor de eerste keer zat, als een blok gevallen was voor de knappe, bruine, grote en gespierde Tim, die me rondleidde. En toen ik dacht aan hoe ik aan het begin van mijn onnozele periode had geloofd dat het lot het zo geregeld had en dat Tim Liesel zeker zou laten vallen voor mij, viel ik van pure hilariteit bijna van het stoeltje. Het was dik aan tussen die twee, en Liesel moest het gelukkigste meisje op aarde zijn geweest.

Iemand tikte op mijn schouders. Nog 5 minuten.
Ik glimlachte toen ik de mama van 20 herkende, maar toen ik haar verschrikte en van angst vertrokken gezicht zag, werd ik ongerust.
‘Heeft U Tieme gezien? Klein, blond, rood zwembroekje?’ Ik knikte en lachte toen de vrouw me opgelucht aankeek.
‘Hij ging in de richting van het 25meter-bad.’
‘Maar hij kan nog niet zwemmen!!’ Vorig jaar, toen ik als een onwennige puber in het halletje op Tim zat te wachten, hoorde ik mijn baas nog duidelijk een man met een klein kindje uitkafferen: “Kinderen onder de 5 jaar zijn VERPLICHT zwembandjes te dragen, meneer! Het had een hl gevaarlijke situatie kunnen zijn!!”
Maar momenteel had er ik helemaal geen behoefte aan de vriendelijk ogende vrouw op haar donder te geven.
‘Juffrouw!! Kom snel, er is een jongentje in het diep gevallen!!’ Gelukkig was ik perfect tweetalig. De oude vrouw ving de mama op toen ze wegdraaide.
Je mag niet lopen in een zwembad, maar regels zijn er om overtreden te worden en dus holde ik naar het bad terwijl ik mijn T-shirt en het fluitje over mijn hoofd trok.
Een paar mensen wezen naar een plek en ik dook naar de bubbeltjes. De daaropvolgende momenten waren ongetwijfeld de meest bewogen uit mijn leven. Vlak voor ik het water zou raken nam ik een hele teug adem. Ik had kippenvel toen het koude water mijn opgewarmde rug overspoelde. Mijn ogen prikten van de chloor, maar dat was op dit moment toch wel het minste wat me kon schelen. Bijna op de bodem, zo’n 2 m 50 diep, spartelden twee kleine beentjes in doodsangst. Wat moest ik nu ook weer doen?
De stem van mijn cursusleider galmde door mijn hoofd. “Ga achter de drenkeling trappelen, leg je handen in zijn nek, ondersteun zijn hoofd met je duimen en spoed je dan als de gesmeerde bliksem naar boven!”
Het jongentje, Tieme, krijste toen hij weer zuurstof naar binnen kreeg. Liesel nam hem aan, terwijl Tim me uit het water hielp. Ze hadden me net zien duiken, ik was 1 minuut en 47 seconden onder water geweest. Mijn persoonlijk record.
Ik wilde van geen handdoek weten en stormde naar Tieme.
Hij zat op een tuinstoel, omgeven door handdoek en dronk cola. Later bleek dat ik net op tijd was geweest.

Maar wat heeft dat met mijn spaarlamp-idee te maken? Waarom vertel ik dit allemaal? Wel, ik besliste om gen adem te halen voor1 minuut 47 seconden. De jongens zouden het vlug genoeg merken, aangezien ik een gezonde borst-buikademhaling had en het kussen telkens op en neer schudde als ik ademhaalde.

Maar zoals ik al zei, de gevolgen of onvoorziene omstandigheden had ik niet in rekening gebracht.

De diepe, zwarte, bodemloze put wende sneller dan ik dacht.


----------------------------------------------------------------------------
Voor Lon Garcia en Korneel Vermeir, hun ouders, grootouders en andere familieleden;
Voor de verzorgster Marita Blindeman, haar kinderen en familie;
en voor alle andere slachtoffertjes van Kim De Gelder, iemand die de benaming "mens" niet waard is, iemand die ik het liefst van alles een langzame maar toch o zo pijnlijke dood zie sterven. Misschien iets met messen. Of bijlen.
Maar dan zouden we ons niveau te veel moeten verlagen.

17

Ongegeneerd geeuwend en met mijn haar ongekamd trok ik de achterdeur zacht achter me dicht. Hoe haalde Maarten het in Godsnaam in zijn hoofd om me voor dag en dauw uit mijn bed te koteren?
Het was behoorlijk idioot, om 7u30 opstaan, als iedere normale mens met een normaal leven en een nog normalere partner nog hoort te slapen – ik wou dat ik het allemaal had –, enkel en alleen omdat hij me iets belangrijks moest vertellen?
Als hij echt van me hield, dan kon ie toch wel even wachten met zijn belangrijke boodschap en me eerst laten uitslapen, in plaats van me er in het holst van de nacht uit te trommelen?
Daarbij kwam dan ook nog dat ik een verrekte schouder had overgehouden aan het me in alle bochten wringen om toch maar de rits van mijn wit-met-rode-rozen-maar-zonder-bandjesjurkje te kunnen sluiten, waardoor ik dringend een klaagmuur moest zien te vinden waar ik al mijn bijzonder giftige opmerkingen over uit kon spuien. En als Maarten niet oppaste, was de kans groot dat hij dat ging worden.

‘Ben je eindelijk wakker, schat? Jij zou het mooiste deel van de dag nog verslapen!’ Ik reageerde niet en slenterde over het gazon naar de hagen. Tussen die twee hagen, de onze bruin en verwelkt, de hunne groen en vol leven – hoe kon het ook anders – lag een klein strookje gras, te klein om af te maaien, maar groot genoeg om te zitten zonder gezien te worden.
Maartens stem klonk walgelijk opgewekt van tussen onze natuurmuren. Terwijl ik mijn haar ontklitte met mijn vingers keek ik nog even rond voor ik haastig achter de sterk geurende laurierstruik – de enige plant die er levend uitzag – verdween en door een gat in de haag kroop. Een gat dat Maarten zelf had gemaakt, om de simpele reden dat de combinatie van een haagschaar + ik om problemen vragen was.

Mijn hoofd stak nauwelijks door de ritselende haag, of Maarten nam mijn gezicht tussen zijn handen en trok me ongeduldig maar toch zacht over hem heen. Zijn handen streelden zacht over mijn rug toen hij me gelukkig en blij kuste, het feit dat mijn knien – die ik als steun de grond had ingepind toen hij me naar hem toe had getrokken – in zijn zij duwden deerde hem niet.
‘Ik zou niet weten wat ik zou doen zonder deze schamele uurtjes met ons tweetjes.’ Hij kuste mijn lippen na elk woord (vanwaar bleef zijn adem komen?) en kreeg zo met gemak mijn ochtendlijke klaagbui het graf in. Ik onderging gewillig deze verwelkoming, ik had hem mogelijk nog harder gemist.
Het deed elke keer zo’n pijn mensen te zien die het het liefst van de daken schreeuwden dat ze verliefd waren, en elke keer als ik zo’n koppel tegenkwam – het leek alsof er op de wereld alleen maar zulke koppels rondliepen – moest ik mijn blik afwenden om niet in tranen uit te barsten.
Waarom zij wel en wij niet? Maar zijn ouders en mijn ouders… we waren bijlange na nog niet de nieuwe Romeo en Julia – wat hield ik van dat verhaal – maar zijn ouders en mijn ouders… Dat was een verschillende stand.
ZIJ waren altijd al rijk geweest, en WIJ waren het amper 3 jaar. Mijn vader was zomaar partner in n of ander bedrijf geworden – welvarend, dat wel – en van de ene dag op de andere sliep ik in een bed met katoenen lakens in plaats van strozakken.
Maartens ouders moesten niets weten van de mijne, en omgekeerd gold dat net zo hard. Ze woonden niet naast ons, zo simpel was dat.
Tot Marijn, Maartens broer, het had aangedurfd om zijn voetbal tegen onze achterdeur te schoppen. (Ik weet trouwens nog altijd niet of het per ongeluk was.) Mijn broer ontplofte. Ik had Willem nog nooit zo kwaad gezien.
Hij voelde zich heel wat sinds vader luid,duidelijk en vooral meermaals had gezegd dat hij, Willem, de man was in huis als hij, vader, er niet was. En vader was meer weg dan thuis, dus dat ging vlot.
Willem liep paars aan, graaide de bal van de grond en liep met een vastberaden tred op de voordeur van onze buren af. Ik had nu al medelijden met Catharina, die waarschijnlijk de deur zou openen. Ik wist dat het niet mocht.

Diezelfde avond nog kregen we bezoek van Adriaan Stibbe. Zoals verwacht was hij behoorlijk op zijn tenen getrapt. (Niet moeilijk als je schoenmaat 46 hebt, dacht ik nog en alleen die gedachte bezorgde me een lachstuip waar ik telkens opnieuw in herviel als ik aan Adriaan Stibbe, die serieuze man van hiernaast, met een rood-wit gestreepte zwembroek en norme zwemvliezen dacht. Maar dat geheel terzijde.)
Ik vluchtte naar buiten, weg van de verwijten en de woorden waar ik zeker een oorvijg voor gekregen zou hebben moest ik ze in mijn mond hebben durven nemen. De volwassenen hadden alle vorm van fatsoen verloren. Alles wat ze al jaren aan een stuk hadden opgekropt kwam er nu uit. En hoe. Ik schaamde me voor ze.

En daar stond hij. God, wat was hij mooi. Hij was prachtig. Ik had hem nog nooit gezien, en alhoewel ik nog maar 16 was kon ik stellig verklaren dat ik eindelijk inzag wat Gods eigenlijk wou bereiken toen hij de mens schiep. Pure schoonheid.
Hij stond daar. Te staan. Grijnsde.
‘Ze kunnen er wat van, h, m’n oudjes.’ Het was geen vraag, eerder een vaststelling. Ik knikte en wandelde naar de haag. ‘Maarten.’ zei hij.
‘Clara.’ zei ik en schudde zijn uitgestoken hand. Het ging moeilijk, ik moest mijn arm helemaal strekken om de afstand tussen de twee hagen te overbruggen. Zijn handen waren zacht en zijn nagels schoon. Die heeft nog nooit moeten werken, dacht ik er meteen achteraan. Ik gaf mezelf een denkbeeldige mep. Trut.
‘Waarom heb ik je nog nooit gezien?’ De verlegen Clara in mij had de klap niet zien aankomen.
‘Ik ben een ochtendmens.’ zei hij, alsof dat alles verklaarde. ‘En ik heb 5 jaar in Duitsland gewoond.’ Duitsland. Het woord vloog naar mijn keel, wurgde me. Mijn hart miste een slag. Net als toen.
‘IK HAAT JE!’ Ik huilde, gilde.
‘Hee! Ik ben geen nazi! Heb je me gehoord? Ik ben geen-’ Ik holde weg. Viel. Krabbelde weer recht, terwijl de tranen bleven komen, mijn hoofd schokte oncontroleerbaar. Ik stormde binnen. De stemmen stokten.
‘Claartje, hoe zie jij erui-'
‘NAZI’S!! VUILE NAZI’S!!’ brulde ik. Hun monden vielen open.
Willem stond op, gaf me een klap in mijn gezicht. Zijn hand was bliksemsnel, het mijne ook. De slag kletste hard tegen zijn kaak.
Hij sperde zijn ogen open, de hand die daarnet nog mijn wang had geslagen, bewoog hij nu naar de zijne.
‘IK HAAT JULLIE!!’ Mijn stem sloeg over. Ik hoopte dat Maarten er nog stond. Ik holde naar boven, nam drie treden tegelijk en sloeg de mijn deur in n vlaag van opgekropte woede achter me dicht. Op slot. Willem bonkte aan de andere kant. Schreeuwde. Ik gilde, nam het roze Cupidobeeldje dat me altijd al gerriteerd had en smeet het met al mijn kracht tegen de deur. ‘NAZI!!’
Willem zweeg.
De scherven ketsten terug tot bij mij. Maar het geluid van die vallende, gebroken scherven was niet dat van het beeldje. Het was mijn hart, onherstelbaar beschadigd.
Ik zwalpte naar het midden van mijn altijd al te grote kamer. Zakte in elkaar. Ik huilde met luide, gierende uithalen en kromp in elkaar toen Willem en nu ook mijn vader weer schreeuwden. De tranen vormden een ondoordringbaar en onvernietigbaar vlies voor mijn ogen. De nachtmerries kwamen nu ook al overdag.

Het was bewolkt en druilerig. Vier nors uitziende mannen dronken van papa’s dure jenever. Ze droegen een groen pak en aan hun linkerbovenarm was een band met het teken van het eeuwige leven erop, de swastika. Dat had ik geleerd op school. Ik vond het een mooi idee, dat hele rencarneren en zo, en het symbool ervoor gaf me ook dat gevoel.
Maar Sapphira was er bang voor. Ze zei dat ik hard moest weglopen als ik dat symbool ergens zou zien, anders namen de mannen van dat symbool je mee en kwam je nooit meer terug.
En nu zaten er vier van die mannen in onze nieuwe lederen fauteuils, zoals mama dat zo mooi kon zeggen. Ik verschuilde me achter haar. Ze wrong haar handen, streek haar dure rok glad en keek met een bezorgde blik naar papa.
Hij sprak met de mannen alsof ze zijn broers waren. Hij zei het ook. Ik ben jullie broeder. En toen zei hij ook het adres waar Sapphira woonde. De mannen lachten, hun helblauwe ogen niet.
Papa gaf ze ook nog geld, heel veel, het waren zeker 15 pakjes. Zei het nog eens. Ik ben jullie broeder. En toen vertrokken ze. Ik zag ze nooit meer terug.
‘Papa? Waarom zei je de straat van Sapphira?’
‘Ze zijn slecht en die mannen wilden dat weten.’
‘SAPPHIRA IS NIET SLECHT! ZE IS MIJN BESTE VRIENDIN!!’ gilde ik, zoals ik dat zo goed kon toen ik nog jong en onwetend was.
Hij sloeg me. Drie keer.
‘Zeg dat nooit meer.’ siste hij. En ik knikte. Sapphira zag ik ook nooit meer terug.

‘Waar denk je aan?’ Ik ontwaakte op Maartens borst. De zon stond al hoger aan de hemel en had me helemaal opgewarmd. ‘Aan de eerste keer dat ik je zag.’ zei ik stil.
‘Dat nazi-gedoe?’ Ik voelde dat hij lachte aan de manier waarop hij ademhaalde. Ik knikte.
Het was tijd om terug te keren.


‘Huh? Wat?’ Ik kende die gezichten. Hell, wat deed TH in mijn kamer? ALIVE AND KICKING?

18

Bill

Ineens lag het kussen stil. Joost mocht weten wat Clara nu weer in haar hoofd gehaald had. Ik draaide me op mijn buik en keek haar aan. Haar ogen waren glazig. En dat had ik nog maar n keer eerder gezien.
Ik snakte naar adem. ‘Wasser, Bill?’ Als je in slaap dreigt te vallen is het eerste wat je lichaam uitschakelt articulatie.
‘Ze is weer weg.’ zei ik simpel. ‘En nu is het erger. Ze ademt zelfs niet meer.’ De stem klonk wanhopig. Ik besefte dan pas dat het de mijne was.
‘Zal wel.’ Tom lachte. Hij draaide zich nu ook om.
‘Godverdomme.’ zei hij, en dan: ‘WAT LIGGEN WE HIER IN GODSNAAM DAN TE DOEN?? AF DAT KUSSEN!!!!’ Hij gunde ons de tijd niet en trok ons er vloeiend en in n soepele beweging van af. Angst maakt je sterker dan je bent.
Ik kromp ineen toen ik Clara zag liggen. Bleek, stil en vooral niet-ademend.
Dit is niet waar. Het is n grote grap. Een flauwe, dat wel, maar een grap. Dit is t onrealistisch. Erger dan mijn ergste nachtmerrie.
Dat is het! Ik droom! Straks, als ik met stijf toegeknepen ogen tot drie heb geteld en mijn ogen weer opendoe, lacht ze haar mooie lach zoals ze die altijd lacht en slaat ze een kussen in mijn gezicht. Heerlijk hard, en o zo heerlijk realistisch. Bij drie hield ik mijn armen al beschermend omhoog.
Er kwam geen kussen.
Ook geen Clara.
En terwijl die ene, afschuwelijke gedachte door mijn lijf strompelde, voelde Tom aan haar pols, holde Georg om een glas water en legde Gustav zijn koele hand op haar voorhoofd.
Koukleum, dacht ik.

Ik wilde iets doen. Ik wilde er nu voor zorgen dat die gedachte de kans niet kreeg om zich ook maar n flapje te ontplooien, ik wilde er nu voor zorgen dat Clara ontwaakte uit haar wat het ook is, haar toestand.
En wel nu.

Ik veerde op en ging op mijn knien tussen Tom en Gustav zitten. Vanuit mijn ooghoeken keek ik in mijn levende spiegel. Aan zijn gedrag kon ik afleiden hoe ik er moest uitzien.
Hij kauwde op zijn piercing, een gewoonte die een tic geworden was. Ik verbaasde me er niet langer over dat ook hij me aankeek.
Mijn lip trilde.
Als zelfs Tom niet wist wat te doen, wie dan wel?
Als zelfs Tom de situatie niet in de hand had, wie was er dan capabel genoeg om dat wel te hebben?

‘Pas o-’ waarschuwde Gustav te laat.
Clara’s hand schoot omhoog en kletste hard op mijn kaak. Door de vaart bewoog mijn gezicht mee, de wang gloeide. Ik voelde hoe de vingers wit aftekenden tegen het rode van de slag. Ik slikte en betastte mijn wang.
‘Nu weten we tenminste dat ze nog leeft.’ zei Gustav simpel.

‘Gooi ik het meteen in haar gezicht?’ viel Georg met de deur in de kamer.
‘We denken… ik denk dat het uit zichzelf wel goedkomt met d’r.’ corrigeerde Gustav zichzelf.
‘Waarom dan?’ Hij kon het niet verbergen dat hij het jammer vond dat het water-over-Clara-gooien erop zat voor vandaag. Zijn blik gleed naar Tom, ervan overtuigd dat die wel zou te vinden zijn voor zijn plan, maar die zat nog steeds halfzacht van Clara’s hand naar mijn wang te kijken.
Niet dat ik er zelf al van was bekomen, maar bon.

‘Heb ik iets gemist?’ Oh ja.
‘Clara heeft Bill geslagen.’ verduidelijkte Gustav.
Heeft ze dan eindelijk verstand gekregen, zag ik hem denken. Maar ik had de fut niet om meer te doen dan hem uitdagend aan te kijken, en toen, als was het een gewoonte, gleed mijn blik over Clara’s gezicht.
Ik wilde dat mijn ogen op een detail vielen, een detail dat me over de streep kon trekken dat alles goed kwam, een detail dat me vertelde dat …
‘Ze huilt!’ schreeuwde ik opgelucht.
En dan, toen we allemaal geschrokken maar vooral verwachtend naar haar witte gezicht keken, knikte ze.
En nog eens.
We schrokken ons allemaal een aap toen ze opeens diep inademde. Het leek alsof ze zelfs zuurstof tot in haar kleine teentje wou zuigen.
Ze bleef liggen op de grond, keek ons aan. Kleine denkrimpeltjes verschenen op haar voorhoofd toen ze haar wenkbrauwen fronste. ‘W.. Wat doen jllie hier?’
Het leek alsof ze een dierentuin hadden losgelaten op dit kleine kamertje, bij de vier geschrokken apen verschenen nu ook al vier olifanten.
Was dit zoiets als een hersenbloeding? Twee simpele, niets betekenende minuten zonder zuurstof kon een belangrijk deel van de hersenen voorgoed uitschakelen en als zij-
‘Clara… wij… jij hebt mij…’ Ik aarzelde. Gered of geslagen?
Ze glimlachte opeens. ‘Ik weet het weer. In de trein, en in de auto en die emmer water… Goh, sorry jongens, ’t was even helemaal … wg.’
‘… geslagen.’ zei ik stil. Het leek alsof ik ademde, zelfs Tom naast me had het niet gehoord, maar Clara keek me geschrokken aan.

Sofie

Geslagen?
‘Ik weet niet waar…’ NAZI’S!!!! Godsamme.
‘Dat was niet voor jou bedoeld…’ mompelde ik stil.
‘Oh nee! Natrlijk niet! Voor wie dan wel?’ brieste Tom verbolgen.
‘Voor Willem.’
‘Wie is Willem nou weer?’ Hij was het niet gewend pure Vlaamse namen uit te spreken.
‘Mijn broer.’ zei ik en keek Bill aan. Ik snapte alles. Nu wel.
‘Maar… op die foto op je bureau… van je familie.. Je hebt helemaal geen broer!’ Hij dacht zeker dat ik spoken begon te zien. Waarschijnlijk was dat ook wel zo.
‘Clara’s broer.’ murmelde ik.
‘Maar jij bent toch Cla- Ho!! Begin gewoon nog eens kalm opnieuw!!’ Ik was allang blij dat hij er nog geen mannen in witte pakken met een dwangbuis geschikt voor het Tante Sidonia-type lichaam had bijgehaald.
Ik keek ze n voor n kalm aan, vouwde mijn handen in mijn schoot. ‘Weten jullie nog van in de trein? Dat ik in elkaar gezakt was?’ Ze knikten, op hun hoede.
‘En nu, dat ik helemaal van de wereld was?’ Ze trokken hun wenkbrauwen op, niet wetend waar ik naartoe wilde. Ik zuchtte. Korte pijn.
‘Elke keer als… als er met ons iets gebeurd dat ik belangrijk vind of waar ik even bij stilsta dan- dan lijkt dat heel erg op iets wat er met Clara gebeurd… Oh, hoe moet ik dit uitleggen?!’ Dit was een hopeloze situatie! Ik vond niet eens de juiste woorden, en als ik er dan toch iets zinnigs uit wist te sputteren, hakkelde ik met de Duitse taal alsof ik haar nog nooit daarvoor had gesproken!
‘Doe maar rustig. Ik volg nog.’ zei Bill, probeerde met zijn ogen rust uit te stralen. Probeerde…
BILL! Daar kon ik nog iets mee doen!
‘Bill, weet je nog? In de trein? Dat je me vroeg of jij Clara mocht blijven zeggen? ‘Hij knikte maar wist niet welke kant ik opwilde.
‘En je keek n mijn ogen! Heel erg diep, en toen werd ik duizelig en voor ik het wist viel ik achterover in een zwarte, bodemloze put!’
‘Nee.’ zei hij. ‘Je zakte in elkaar.’ Ik lachte. Het missende stukje van de puzzel.
‘Lichamelijk wel. Maar geestelijk werd ik Clara!’
‘Geestelijk?’
‘Ja! Kom op, Georg! Geloof jij niet in een scheiding van lichaam en ziel? Ik wel! En dus, wat ik denk dat het is, lag mijn lichaam hier halfbewusteloos te wezen en was mijn ziel Clara!’ Mijn stem klonk triomfantelijk.
‘En wie is Clara dan wel?’ Gustav geloofde wel in die scheiding.
‘Ik denk… vorige eeuw. Oh, en z’ is- was stiekem samen met Maarten!’
‘En wie is die Maarten nou weer?!’ Tom raakte over zijn toeren. Bill verbleekte, durfde niet zeggen wat hij dacht.
‘Bill?’ Ik keek bezorgd. Hij slikte, sloeg zijn grote bruine ogen naar me op. Hij was geschokt.
‘In- in de trein. Vlak voor je… voor je weer zou terugkeren… Iemand riep me. Het was een vreemde naam, maar een bekende stem. Loeihard, maar niemand anders had iets gehoord…’ Zijn stem stierf weg.
Ik kroop naar hem toe en ging op mijn knien voor hem zitten. ‘En toen?’ Ik wilde bevestiging.
‘Toen was je er weer… en pas veel veel later, beneden aan de lift, realiseerde ik me dat het jouw stem was.’ Mijn adem gleed in schokjes door mijn neus naar buiten.
‘Wat riep ik dan? Zeg het me, Bill, wat riep ik?’ Ik was bang. Ik wst wat hij ging zeggen.
‘Eerst begreep ik het niet… Of nee, ik dcht dat ik het niet begreep…. En nu.. nu ik het je zo duidelijk hoor zeggen…’ Zijn stem stokte. Hij haalde diep adem, sloeg zijn ogen op en keek me met een door angst overwoekerde vastberadenheid aan.
‘Je noemde me Maarten.’ Ik glimlachte, blij en opgelucht, en vloog hem om de hals. Hij reageerde niet, bleef als een standbeeld zitten.
En dan pas besefte ik dat hij hier altijd anders mee om zou gaan dan ik dat zou doen.

Tom

Dit was misschien toch wel net iets teveel van het goede. Dit klonk toch allemaal veel te onrealistisch om waar te zijn?! Nee, ik hield het liever op pr toeval.
Oh, nu ik eraan denk…
‘Waarom ademde je dan niet? Daarnet?’
Ze lachte. ‘Oh, dat! Ik moest jullie toch nog altijd terugpakken voor die – onverdiende – emmer water?’
‘Ja, ok, maar doen alsof je dood bent? Gaat dat niet wat te ver?’ Ik moest serieus blijven, het was wel de bedoeling dat ze schuldgevoel kreeg. Ze grijnsde.
‘Ik ben redster, dus ik kan mijn adem ook gewoon inhouden. Willen jullie me dan zo graag bij jullie houden misschien?’ Ze lachte ondeugend. Ze wist verdomd goed dat ze me helemaal klem had gezet, en dat kreng genoot er nog van ook! Bill, red me idioot!
‘Wie belde er eigenlijk daarjuist?’ Dankjewel! Maar meteen maakte mijn blijheid plaats voor een ongezonde bezorgdheid. Niets leek cht tot hem door te dringen, zijn stem klonk monotoon en kleurloos. En die symptomen… ik had ze nog maar een keer kunnen aanschouwen, en dat was toen hij zag dat Jill met slaande deuren vertrok, haar weemoedig nakeek en meer tegen zichzelf dan tegen ons ‘Dag lieve Jill, ik zal je missen.’ mompelde. Waarop wij met onze ogen draaiden en de rest van de week vergeefs probeerden de futloze Bill ook voor iets anders dan concerten uit zijn bed te peuteren en hem dwongen om toch op z’n minst n hap van de hrlijke pizza-vier-kazen te eten, met natuurlijk altijd diezelfde, veelzeggende reactie: ‘Geen. Zin.’
Gatver. Niet weer.

Bill

Redster. Achteraf was dat niet meer dan een erg logische verklaring voor het feit dat Clara daar bewegingsloos op de grond lag en wij absoluut niet wisten wat te doen. Aan de andere reden wilde ik liever niet denken.
‘Wie belde er eigenlijk daarjuist?’ Ik wist niet vanwaar die vraag kwam. Ze borrelde op, ineens, en Tom zat vast. Dus.
Het antwoord bleef uit. Denk ik.
Ik zuchtte. Achter ons lag het kussen knalgroen te wezen, zich niet bewust van het min of meer door hem ontstane gemis dat ik drie minuten heel intens had gevoeld, een gemis waarvan bij elke hartslag een klein deeltje afbrokkelde, en waarvan ik wist dat er helemaal op het einde een klein deeltje zou overblijven, zo klein dat ik te vlug zou vergeten dat mijn gemis nog niet helemaal opgevuld was en het ook nooit zou zijn, maar tegelijkertijd ook zo enorm groot dat elk moment van de dag, elk moment van de nacht, dat kleine stukje gemis aanwezig zou zijn en allesbepalend mijn gevoelswereld zou overheersen.
Met gebogen hoofd keek ik naar het plekje waar mijn hart hoort te zitten, en terwijl dat hart zijn normale ritme terugvond, besefte ik dat ik vanaf vandaag Clara zou missen, niet steeds het volledige pakket, maar steeds een klein deeltje; haar lach, haar ondeugende ogen, haar pink die ze plagend in mijn zij port, zodat het gemis langzamerhand een vaste waarde in mijn leven zou worden, tot het einde van mijn dagen, tot ik eindelijk het lef zou hebben om de dood in de ogen te durven kijken.
Tot dan zal ik haar missen: haar lach, haar ondeugende ogen, haar pink die ze plagend in mijn zij port, mijn Clara, die me vandaag zover had kunnen krijgen dat zij alleen de sluier van mijn hart mocht wegnemen, zodat ik voor het eerst een open boek was, voor haar en voor mezelf.

Het was een grap. Een flauwe, dat wel, maar een grap.

19

Tom

‘Wie er belde?’ Ze slikte, deed alsof ze niet wist waar Bill over had. Ze was niet echt een bijster overtuigende actrice.
‘Dat.. Iedereen mag toch zo zijn geheimpjes hebben?’ Die zin kwam als een donderslag bij heldere hemel, als een slag in mijn gezicht. Ik was er opeens niet zo heel zeker meer van of ze wel degelijk niets gehoord had.
‘Sofie? Kan ik even met je praten?’ Gustavs stem doorsneed de bedenkelijke stilte die in haar kamer hing na die zin.
Haar ogen lichtten op, blij als ze was dat dat onderwerp van de baan was. ‘Tuurlijk.’
Ze stond op, klopte het stof uit haar jeans. En zonder om te kijken trok ze de deur van de kamer achter hen dicht.
Zag ons nu zitten. n stom verscheurd hoopje hormonen. Verdomme toch.
Mijn ogen gleden naar Bills gezicht, bang om daar nog steeds aan te treffen wat er daarjuist al was.
Maar niets was minder waar. Het leek alsof samen met Claso de serieuze Bill was verdwenen; zijn ogen blonken en heel even dacht ik dat hij alles vergeten was.
‘Gaan we nog ‘ns iets duiveltjes uithalen, jongens?’ Zijn stem sloeg over door de onverscholen deugnieterij.
Het leek niet alleen, het ws zo.

Sofie

Ik sloot de deur van de gang achter me en keek besluiteloos naar Gustavs achterhoofd.
‘Ga anders even zitten.’ Terwijl een licht maar warm briesje het witte gordijn door het open schuifraam naar mijn balkon trok merkte ik opeens op dat Gustav zijn stem altijd, maar dan ook altijd onder controle had. Het was gloeiend heet. En toen ik me liet neerzakken in de zetel, flitste de vraag door mijn hoofd of het niet alleen al aan mijn gezelschap lag dag de temperatuur spontaan de ijle hoogten boven de 28C verkoos.
‘Waar denk je aan?’ Ik weigerde categorisch hem aan te kijken toen ik antwoordde.
‘Niks speciaals.’ bloosde ik. Hij moest ‘ns weten welke beelden er na die innerlijke vraag voor mijn ogen dansten. Tipje van de sluier: TH in zwemshort.
Hij antwoordde daar niet op, en ineens welde een raar gevoel op in mijn buik waardoor ik plots niet meer met diezelfde vastberadenheid van voor dat gevoel kon zeggen of hij toch diezelfde beelden zag. Was mijn gezicht zo goed te lezen?
Ik voelde Gustavs ogen. Ik keek hem vanonder mijn wimpers aan, zijn bruine kijkers vingen de mijne handig op. Ik schrok me rot toen ik zijn geamuseerde blik zag. Ik weet niet waarom, maar ik was er al vanaf het begin van overtuigd geweest dat dit gesprek niet het meest vrolijke zou zijn, dat Gustav niet met me zou moeten praten als het onderwerp gewone koetjes en kalfjes betrof. En nu…
Ik keek hem verward aan. Hij schaterde het uit. ‘Je hebt echt geen idee, h?’
Ik grommelde. ‘Het zou al veel helpen als je me niet zat uit te lachen.’ zei ik cynisch. Hij hoorde dat niet, miste de niet moeilijk te verstane toon. Integendeel daarvan, hij lachte nog eens, afweziger nu, en herhaalde nog eens wat hij me daarnet gevraagd had, als wou hij zichzelf overtuigen van iets dat te bizar voor woorden en gedachten was maar nu zijn hand schudde.
‘Helemaal geen idee.’ Ik wachtte, vond het merkwaardig dat deze situatie nog het meest leek op een alleswetende meester die dezelfde les nu al de tigste keer aan de eeuwige dromer – droomster in dit geval – uitlegde, zonder dat deze droomster ooit had beseft dat de oplossing voor al dat gezeur recht onder haar neus had liggen –namelijk n schamel uurtje opletten.
Ik schrok op toen Gustav opveerde uit de zetel en behoedzaam naar de deur liep. Er was een detail dat me in het oog sprong; hij leek koste wat het kost te willen vermijden dat hij op n lijn met de deur kwam. In een flits trok hij de deur open, hij keek al triomfantelijk nog voor de kluwen mens – waarin ik Georg, Tom en, wat me zeer teleurstelde, ook Bill kon ontwaren – naar binnen struikelde en door een combinatie van ellenlange, puberale benen en verwarring tien centimeter over de drempel in een er relatief miserabele knoop neerviel, moeizaam spartelend omdat ze dachten dat ze zich verbaal beter zouden kunnen verdedigen als ze weer met beide voeten richting het magnetische middelpunt van de aarde stonden.
Dachten.
Gustav en ik torenden dreigend boven hen uit, probeerden zoveel mogelijk walging uit te stralen, onze armen over elkaar gekruist. Het leek te werken, want ze brulden door elkaar heen.
‘Het waren Tom en Bill!’
‘Niet waar! Het was alleen maar Georg!!’
Alleen Bill keek schuldbewust. En hoe teleurgesteld ik ook in hem was, ik kon bijna met zekerheid zeggen dat hij niet met dit bespottelijke idee op de proppen was gekomen.
‘Ach Sofie! Geef ze ‘ns iets actiefs te doen, alsjeblief? ‘k Weet niet, een stofzuiger of zo?’ Toms hoofde zakte moedeloos naar achter. Ik grijnsde, want ik beschikte over een bijzonder kleurrijke verbeelding.
‘Strak plan!’ lachte ik en probeerde mijn stem niet te laten vervormen door het duivels plezier dat ik door die verbeelding had.

‘Alsjeblief!’ Mijn stem schoot vrolijk de hoogte in bij de laatste lettergreep. Georg keek me met ontzag aan. ‘Je meent het cht, h?’ Ik sperde mijn ogen open, knipperde een paar keer en krulde mijn lippen omhoog in een blije, brede glimlach.
‘Natrlijk meen ik het echt, gekke Georg van me! Neem je hem nou nog van me over of moet ik hier nog heel erg lang staan wortelen met dat ding in mijn armen?’ Met geschokte ogen nam hij de zuiger van me over, hij gaf geen krimp toen ik die last opgelucht weggaf.
De stofzuiger was oud, om niet te zeggen antiek, maar nog helemaal niet versleten. Het was er zo eentje die je vandaag de dag nergens meer in de winkel vind – ik moest al helemaal naar Hasselt als ik een nieuwe filter nodig had – maar van de soort die het pas begeeft als je hem van een wolkenkrabber gooit, brndend, met op de grond niets meer maar ook niets minder dan een veld met dicht op elkaar geplaatste spiesen dat dodelijk op hem wachtte.
Bijgevolg woog hij dan ook als lood, en hem alleen nog maar optillen bezorgde je spontaan een hernia. Het was daarom ook dat ik zo schrok toen Georg hem zonder een krimp te geven van me overnam. Misschien was hij toch zo sterk als de meeste fanfictions me wilden doen geloven…
Ik schrok ervan hoezeer mijn beeld van de jongens zo benvloed kon worden. Ik had die verhalen altijd als onmogelijk, onwerkelijk en onwaar bestempeld, maar nu het ernaar uitzag dat ik er middenin eentje zat, besefte ik pas dat ze behoorlijk waarheidsgetrouw waren. Niet dat ik ze niet graag las, intgendeel zelfs, de schrijfsters ervan waren geniaal en verdienden stuk voor stuk de Nobelprijs (en die dan nog het liefst enkele jaren achter elkaar) maar ik had het nooit voor mogelijk gehouden dat die verhalen – of een deeltje ervan – ook cht echt zouden gebeuren. Ik bedoel, als we alleen al naar het verschijnen van TH keken, dat alln al was onrealistisch genoeg om duizend-en-een fantasien bij me op te wekken, en nu stonden ze verdikke vrolijk mijn kamer te stofzuigen!
Ooit, in een ver verleden – drie jaar om precies te zijn – was ik er zelf ook ‘ns aan begonnen; ik lag al in een deuk als ik alleen nog maar aan dacht. Dat ik ooit echt geloofd had dat ik dat ook wel moest kunnen, dat dromen in woorden gieten voor iedereen in de wieg was gelegd…
Zoals ik al zei: ik verging van het lachen.
Alleen de allergrootsten waren ertoe in staat me telkens opnieuw te doen rillen, lachen, huilen en kwijlen, en alleen zij waren voorbestemd om niet alleen door mij maar door de hele wereld geniaal te worden genoemd en ook alleen zij mochten na een laatste blik op hun 5de Nobelprijs met een gerust hart in slaap vallen, wetend dat zj het tenminste gemaakt hadden, en verdikke nog niet eens zo amateuristisch!

Ik schrok op uit mijn psychische pleidooi door een hoestje, behoorlijk nep en vooral bedoeld om op subtiele wijze duidelijk te maken dat de fake-kucher de aandacht van de onoplettende graag als het even kon wou hebben. Bijzonder gnant trouwens als zo’n kuchje je overkomt tijdens De Speech Van De Schooldirecteur.
Juist. Gustav wilde mijn aandacht. ‘Brand maar los!’ trachtte ik bemoedigend te zeggen, probeerde mijn fout van daarnet toch grotendeels te compenseren door overdreven interesse.
Hij bekeek me op een manier waarvan ik zeker wist dat hij er niet intrapte en ademde diep in. Ik plooide mijn benen onder elkaar en zweeg tot hij zou beginnen.

‘Kijk Sofie,’ begon hij, en ik signaleerde mezelf verwonderd dat hij en Georg nog de enigen waren die mijn echte naam gebruikten, ‘ik weet niet zeker of ik dit mag vertellen. Tom vermoordt me, denk ik. Zeker na vanmiddag.’ Hij scande mijn gezicht, ik hoopte dat hij wou natrekken of ik me wel degelijk gevleid voelde dat hij zijn leven wou riskeren door me in te lichten.
‘Stonden- nee, uh. Onze vorige tour? Ik vermoed dat- Was je toen al fan?’
‘Ja, tuurlijk…’ zei ik met mijn wenkbrauwen gefronsd.
‘En op onze vorige tour… heb je –stond nee, uh, heb je ergens iets opgevangen? Gelezen? Internet? Via via? Van horen zeggen?’
‘Euhm… niet dat ik weet… tenzij-nee. Niets eigenlijk. Waarom?’ Zijn ogen flikkerden even hoopvol op bij de “tenzij”, maar dat verdween even vlug als het gekomen was. Hij grijnsde en keek naar een punt boven mijn hoofd, mompelde iets waar ik noch kop noch staart aan kon vastknopen: ‘Als hij iets wil verbergen, dan doet-ie het goed. En dat is wel het minste wat je van David kan zeggen….’
‘Zeg Gustav? Waarom gooi je het er niet meteen uit? Want hoe meer je vraagt en insinueert en mompelt, hoe minder ik er eigenlijk van snap!’ Ik schrok ervan hoe nieuwsgierig ik klonk.
Hij lachte, zei: ‘Nieuwsgierige gek. Dus… op onze vorige tour was er.. een meisje.’
‘Oh.’ zei ik. ‘Fascinerend.’ Hij glimlachte. ‘In onze bus.’ Toen ik niet reageerde was hij verbaasd.
‘Wat? Alsof ik daar iets aan kan veranderen!’ Hij grijnsde.
‘Ze heette Jill.’ De sterretjes in zijn ogen blonken toen ik verstrakte. ‘Je hebt dus wel iets gehoord.’ concludeerde hij tevreden.
‘Nee… Ja. Maar wel vanmiddag, toen ik terugkwam van… van na de emmer. Nou, dat e er bijna voor gezorgd had dat jullie bijna splitten… en – nou ja, Toms toon, jullie vind d’r niet bijster aardig.’ antwoordde ik op de vraag in zijn ogen. Hij knikte.
‘Misschien moet ik eerst beginnen met hoe ze in Bills leven kwam.’
‘Brand maar los!’ zei ik maar weer. Hij zuchtte diep, en startte, met een verhaal dat wel eens het langste zou kunnen zijn dat hij ooit tegen een vreemde had verteld.
‘Onze vorige tour startte in Polen. We waren daar twee dagen vroeger, promotiedoeleinden, je kent dat wel. David verplichtte ons om aan sightseeing te gaan doen. Davids wil is wet, dus kropen we dik tegen onze zin op n van die bussen die ons Met Plezier Het Cultuurhistorisch Centrum Van Warschau zou laten zien. En daar zat ze. Onze Sympathieke Gids. Witblond, zonnebankbruin, ijzige blauwe ogen, en, hoe zal ik het stellen, goed voorzien van oren en poten.’ Ik keek bijna scheel van walging bij haar beschrijving.
‘Hoe…? Bah.’
‘Hoe hij voor haar kon vallen, niemand kwam het ooit te weten. En het zou me zelfs niet verbazen als Bill het zelf niet zou weten. wij – Georg, Tom en ik – houden het erop dat hij gewoon nog ‘ns wou testen of hij het wel nog kon, snap je wat ik bedoel?’
‘Krijg ik niet eens een tekeningetje? Schandalig.’ Hoe had ik ooit drven geloven dat Bill eeuwig maagd zou blijven?
Hij glimlachte, kon zo vlug niet op een antwoord komen – of vond zijn antwoord erover – en besloot verder te gaan.
‘Niemand wist wat hem bezielde toen hij opeens vlak voor het concert meedeelde dat ze met ons meeging. Hij had niet met ons overlegd, wist verdomme donders goed wat David dacht over dat soort dingen, maar kreeg het toch gedaan. Hij wreef het David elke keer onder zijn neus dat als hj niet pers had gewild dat we naar die stad gingen, dat hij haar dan ook nooit had tegengekomen en dat hij nu zijn verantwoordelijkheid wel eens mocht opnemen en dat hij dus de gevolgen moest dragen ook. Veel blablabla, grote mond, klein hartje, ruwe bolster, blanke pit, wat nog allemaal. David stemde toe. Hij heeft het zichzelf nog altijd niet vergeven, denk ik.
Vanaf dag n voelde iedereen meteen meer antipathie dan sympathie voor haar. Alleen in de ogen van Bill kon ze niks verkeerd doen. Pas op, als hij erbij was, was ze Maagd Maria in hoogsteigen persoon. Maar vanaf hij zijn rug draaide, herviel ze weer in haar stom patroon. Ze deed alsof ze de koningin was, ah ja, Bill Had Haar Uitkozen, keek hooghartig neer op de crew, deed elke keer alsof ze er ons niet begreep als we haar iets zeiden in zo’n hilarische kluts van Duits en Engels. En twee minuten later antwoordde ze Bill in van dat vrolijk vloeiend Duits dat jij verbazingwekkend ook zo goed kan. En het werd nog erger.
Als een sneeuwbal die een lawine kan veroorzaken, zo werd Jills gedrag rampzalig toen Bill haar op ons aandringen daarover aansprak. Ze liet haar koffie brengen, had een manicure n pedicure die bij de crew “logeerden”, ga zo maar door. Ze vervreemde steeds meer van Bill, gebruikte hem bijna. Die arme knul ging er helemaal onderdoor, werd zo wit als een lijk, en toch bleef hij over en weer hollen voor dat kreng, die heks.
Het verbaast me echt dat jullie er niets van gemerkt hebben. Ik vraag me af waarmee David haar onder de knoet houdt… misschien dreigt hij ermee al haar uitgaven en alles wat ze gebruikt heeft in rekening te brengen. Inventief, daar niet van.
Maar Bill was moe, futloos door de weinige slaap. Zij wou altijd maar… het was af-schuwe-lijk. Ze kreunde dat het het horen en zien verging. Alsof iedereen moest en zou weten dat zj met Bill… maar daar wil je vast geen tekeningetje van, of vergis ik me?’ plaagde hij. Ik sperde mijn ogen open, gilde bijna.
‘Ben je gk?!’ Ik plooide me over de leuning van de sofa en produceerde een overtuigend gamma aan braakgeluiden. Toen ik weer ging zitten glimlachte hij.
‘En Bill kroop voor haar. Als ze hem gevraagd had zijn haar af te scheren, dan had hij dat gedaan. We spraken hem erover aan, maakten hem voorzichtig duidelijk dat we nog driekwart van de concerten moesten doen en als hij zo bleef gn dat hij dat nooit ging overleven. Hij werd furieus, brulde dat we jaloers waren, op hem, op hun relatie.
“Een relatie tussen een meesteres en haar knechtje is geen relatie, maar uitbuiting en misbruik.” Dat was het enige wat Tom zei in die tirade, maar het sloeg in als een bom. Op de negatieve manier. Het concert werd gecanceld, Bill weigerde samen te werken met een bende egostische jaloerse hypocrieten. Hij hield voet bij stuk, drie dagen lang.
30.000 ontevreden en teleurgestelde fans, drie onnodig hoge kosten voor zalen waar we geen voet in zetten, drie dagen technisch werkloze crewleden. We wisten geen blijf met onze energie, onze vingers jeukten. Om de twee minuten gooide wel iemand naar mijn hoofd dat ik moest ophouden met dat irriterende getrommel op elk voorwerp dat ik tegenkwam.
Op de ochtend van de vierde dag, toen Bill met nog duidelijkere paarse kringen onder zijn ogen alleen een glas melk kwam halen en weer naar haar verdween, had ik er genoeg van. Ik sprong op en ging hem achterna. Maar net om het hoekje botste ik tegen hem op. voor zijn neus: David. Bill zag witjes, ik begreep dat het toch nog erger kon. “…-open-.” hoorde ik net nog voor David n Bill – die dat toch al drie dagen niet meer deed – me met opengesperde ogen en opeengeklemde lippen aankeken.
“Ach wat! Ze moeten het weten, Bill!” gromde David, sleurde een erg hevig protesterende Bill aan zijn pols met hem mee en dreef me voor zich uit, terug naar de ontbijtruimte.
“Jongens,” zei hij, “jullie moeten iets weten. Bill, die gsm op tafel. Nu. Dankje. Ten eerste, jullie treden op deze avond. Over drie uur soundcheck.” Hij wachtte tot ons tevreden gebrom weggestorven was voor hij verderging. “Ik ben de laatste dagen bijna ziek geweest van de manier waarop jullie elkaar behandelden. En gisterenavond, te laat, heb ik beseft dat de enige manier om dit kinderachtig gedoe, dit niet-spelen, alleen maar opgelost kan worden door, jullie raden het al, te spelen. Alleen door te spelen zullen jullie elkaar weer leren respecteren, alleen daardoor zal het ook voor jullie weer duidelijk worden dat jullie leven simpelweg niet op rolletjes kn lopen zonder die anderen. Dit is het enige wat ik hierover ooit nog zal zeggen.’ We hielden een eerbiedige stilte, de euforie van daarnet was al volledig weggebd.
“Maar ik ben nog niet klaar.” Bill bleef witjes en roerloos zitten. Ik kende hem te goed om te denken dat het zo zou blijven. David ging verder, zijn stem klonk een beetje onopvallend triomfantelijk. “Vandaag kwam ik Jills pedicure tegen, ik vroeg waarom ze er zo gespannen uitzag. En toen kwam het hele verhaal eruit. Jill-” Bill was recht gesprongen, had zijn vuisten gebald, zijn ogen waren zwart van woede en er was voor het eerst in weken weer een natuurlijke kleur op zijn ingevallen wangen. Het is een moeilijke opdracht om hem zo kwaad te krijgen, je moet toch al behoorlijk wat zeggen of doen om hem te doen ontploffen. David stoorde zich daar niet aan, zei alleen dat hij weer moest gaan zitten en ging door.
“Jill heeft-”
“HET IS NIET WAAR!! JE LIEGT! VERDOMME, ZE IS ER DOOR JULLIE INGELUISD!! JULLIE GUNNEN ME ECHT HELEMAAL NIKS!!” Hij wilde brullend de zaal uitstormen, maar naast de deur stond Steff en een simpel knikje van David was genoeg. Bill worstelde, wriemelde, wroette, spartelde, bokste met zijn vuisten op Steffs borstkas, alles om los gelaten te worden. We zagen met grote ogen aan hoe woeste tranen zijn hele make-up runeerden en dat smalle ventje alle kracht die hij ergens op een verborgen plekje in zijn lichaam verborgen had, op Steff losliet. En n moment dachten we dat het niet Steff was die daar stond, maar Jill. David schraapte zijn keel, onwillig draaiden we onze hoofden weer naar hem. Bills getier was een hartverscheurend gesnik geworden, Steff klopte een beetje hulpeloos op de rug van de gebroken jongen die zijn schouder nu heel hard nodig had. Tom veerde op, die was zelf ook al half aan het wenen, maar een dwingende blik van David liet hem weer neerzakken.
“Jill heeft drie verschillende Ebay-accounts.” Bill jammerde. “Daarop verkoopt ze petten en bandana’s van Tom – het mes waarmee die geconcentreerd had zitten draaien viel met een leen luid geklingel op de grond –, T-shirts van Georg – “Bh!” walgde die, “dat ze dat wil aanrken!” –, petjes en drumstokjes van jou, Gustav – ik moest even hoorbaar slikken –, en sieraden, riemen, petjes, boxers en– en haarplukjes, kleintjes, van Bill.” sloot hij zijn lijst af.
“Neeheee…” Bill gleed slap als een vod uit Steffs armen en Davids ogen seinden hem nog even te laten liggen. “Ga haar anders maar even halen.” zei hij en Steff verdween om enkele minuten later met Jill terug te keren. “Goedemorgen!” acteerde ze. “Hebben jullie niet op mij gewacht om te eten?” Ze zag Bill pas toen ze haar teen stootte. “Zeg, kan je niet- Bill? Wat is er- Hebben ze iets gedaan?” Toen hij zich oprichtte leek hij een beetje op een mishandelde panda.
“Waarom doe je dit, liefste? Ik h van je, weet je dat? Ik h echt van je…” Haar ogen schoten van onze ziedende gezichten naar Bills teleurgestelde en weer terug. Nu valt het me ineens op dat hij de tegenwoordige tijd gebruikte. Hij moest cht van haar gehouden hebben… Soit, we gaan verder.
“Waarom doe ik wat? Maar ik hou ook van jou, Bill, van jullie allem-”
“Oh ja?! Hou je cht van ons? ECHT?’ Tom was razend opgesprongen,, hij schreeuwde met onverholen haat in zijn stem. Jill werd wit, haar lippen vormden geluidloos “Shit.”
“Shit, ja, dt kan je wel stellen, godverdomse SLET!! En dr ga ik me niet voor verontschuldigen, integendeel zelfs, stomme fu-”
“Tom, hou je in.” beet David, en dus ging hij maar weer zitten, kneep zo hard in een pistolet dat de kruimels op de tafel vielen.
“Juffrouw, aangezien u het niet waard bent veel woorden aan te verspillen, hou ik het kort. U gaat onder mijn toezicht uw koffers pakken, en daarna gaat u onder het deskundig oog van onze webmaster uw accounts ALLEMAAL verwijderen, waarna we u dwingend verzoeken dit hotel te verlaten. Heeft u dat?”
Jill brulde, krijste. Het was grappig haar te zien doordraaien. En opeens tierde ze dat ze met plezier wat meer sappige details aan het verhaal dat ze aan de pers zou vertellen, wilde toevoegen.
We staarden haar aan. Verdomme, dachten we. Tang. David had alles – zoals altijd – onder controle. “Dat zou ik niet proberen, juffrouw Nowack. n woord… ik vind je wel. Altijd. n enkel woord.” De dreiging die van zijn woorden uitging deed haar terugdeinzen. En toen was ze weg.’
Hij haalde diep adem en lachte ontspannen. ‘Tom vermoordt me echt.’ zei hij. Ik wist niet welke uitdrukking op mijn gezicht te lezen viel, het leek totaal onbelangrijk in vergelijking met was Gustav me hier allemaal had verteld. H hadden ze dat in hemelsnaam kunnen achterhouden? Het leek ontzettend onmogelijk als elke stap die je zet op deze aarde vastgelegd wordt door tientallen fotografen. Zeker nu. David moest inderdaad niet bepaald geen loze bedreigingen spuwen, als die Jill nog altijd zwijgt…
Gustav moest gedacht hebben dat verdergaan het gezondst was voor mijn hart, want hij vervolledigde zijn verhaal.
‘Bill herstelde wel, maar traag. Hl erg traag. Ik weet niet precies hoeveel nachten hij zichzelf n ons wakker brulde, en ook niet precies hoeveel ochtenden hij n Tom, die hem ’s nachts troostte en in slaap wiegde tot hij weer wakker schreeuwde, met steeds diepere wallen aan de ontbijttafel verschenen. Weken en weken en weken trad hij op, alsof er niets aan de hand was. maar behind the scenes schermde hij zichzelf af van alles wat met haar te maken had. Hij ging meteen naar de bus, sloot zich op. We begrepen dat hij dit zelf moest oplossen, zelf verwerken. En uiteindelijk, tegen het einde van tour al, lachte hij. We schrokken ons te pletter. Het was maar een kort lachje geweest, helemaal niet speciaal, opvallend, wat dan ook. Gewoon, een grapje dat hij had opgevangen uit het gesprek tussen Calli en Saki, die buiten stonden te roken. Ik denk dat we hem ongeveer platbombardeerden met knuffels, en vanaf dan gedroeg hij zich steeds normaler. Nou ja, voor zover normaal kan als je Bill Kaulitz bent. En toen we na de tour de drie gecancelde concerten inhaalden, stond hij erop dat we weer dezelfde kamers namen. We sliepen door, die nacht, in n ruk.’
‘Hoe… hoe hebben-heeft…’ Ik slaagde er niet in een concrete samenhangende zin te formuleren.
‘Hoe hij het heeft gedaan? Hoe hij het kon? We wisten het niet. En onlangs, hl onlangs, deze ochtend, zei hij dat zijn lichaam hier rond liep, en zijn geest bij Jill was, bij wat ze allemaal gezegd had, bij wat hij gemist had aan haar gedrag waardoor hij haar doeningen had kunnen voorspellen. Ze werden gescheiden van elkaar, een soort van een beschermende manier van Bills wezen om zich tegen de pijn te verdedigen.’ Ik zuchtte.
‘En toen jij er daarnet over begon, moest ik daar opeens aan denken. Het zou ongelofelijk grof van me zijn dit achter te houden, nu je dat letterlijk gezegd hebt. Scheiding van lichaam en geest. Dus toch. Hij heeft dat exact hetzelfde verwoord.’
‘Bizar.’ zei ik, terwijl zijn laatste woorden naar alle hoeken van mijn lichaam sprongen.
‘En nog niet in het minst omdat hij er deze morgen ineens over begon, over haar. Al maanden meden we dat onderwerp, voorzorgen, en dan… Heel even dacht ik dat.. Nee, dat is erover. Toeval.’
‘Je dacht dat hij het opgemerkt wou hebben voor hij mij zag. Dat wou je toch zeggen?’ Hij reageerde niet, staarde me aan maar leek iets heel anders te zien. Iets wat hij niet leuk vond. Helemaal niet.
‘Sofie?’ Hij concentreerde zich weer op mijn gezicht, maar in zijn ogen kon ik nog de sporen van zijn gedachten zien. ‘Was het de tijd waard om jou dit alles te vertellen?’
‘Daar kan alleen jij over beslissen, Gustav, of ik het waard was. Maar ik ben een kluis voor de geheimen van vrienden. Het is niet veel, maar daar zal je het mee moeten doen, vrees ik.’
‘Mooie zin.’
‘Nee.’ zei ik, ‘dat was de waarheid.’ Hij sloeg zijn blik neer bij het ontmoeten van de eerlijkheid in mijn ogen.
‘Ik zl zwijgen, Gustav.’ Ik voelde dat hij nood had aan bevestiging.
‘Dat weet ik. Ik vertrouw je.’
‘Dankje.’ Ik merkte hoe moeilijk hij het had dat te zeggen. Het moest al een tijdje geleden zijn.
Ik weet niet hoelang het stil bleef. We hadden elk genoeg aan waar onze gedachten ons heenvoerden. Bij mij gingen ze de richting uit van de jongens in mijn kamer, en dan specifiek naar hun capriolen met de stofzuiger. Zouden ze zijn pogingen tot totale vernietiging van het menselijk lichaam glansrijk hebben doorstaan, of zouden ze de strijd hebben moeten staken met meer blutsen en builen dan was gebruikelijk is in een gevecht met een venijnige stofzuiger? Ik had er het raden naar, en ik wachtte op het goeie moment om Gustav te vragen of we zouden terugkeren.
Hij was enkele minuten geleden opgestaan, dwaalde door de living van mijn studiootje, bekeek de schilderijen. ‘Eigenlijk is dit toch meer een appartement?’ had hij met het zicht op de stad voor zich gevraagd.
‘Appartement klinkt behoorlijk volwassen voor iemand die nauwelijks twee maanden het huis uit is. En ik hoor liever studio dan kot, dus.’
‘Kot?’ Ik lachte.
‘Dat zeggen wij hier in Belgi. Ik weet het Duits of het Engels er niet van, maar in Nederland zeggen ze “kamers”.’ Hij had geknikt, en na enig aarzelen was hij het balkon opgegaan, waar hij nu nog altijd te vinden was, genietend van het uitzicht dat je had over Brussel vanop de achtste verdieping. Ik schuifelde naar hem toe en wurmde me tussen hem en de laurier.
‘Nog niet uitgekeken?’ vroeg ik, terwijl ik een vluchtige blik op de lichte grijze uitlaatgassenwolk tussen de gebouwen wierp. Mijn ogen bleven een seconde hangen op het blinkende Atomium in de verte.
‘Eigenlijk wel. Maar het is afleidend. Ik dacht net aan iets…’ Nog voor ik me kon afvragen waar hij van afgeleid wilde worden, ging hij verder.
‘Wat denk je echt van Clara? Ik bedoel, geloof je dat zelf?’ Ik keek hem verbluft aan. Teleurgesteld ook.
‘Ik vind het jammer dat je me op dat gebied dan weer niet vertrouwd. Ik kan je alleen maar vertellen wat ik zie en denk, hoor. En als jij denkt dat ik dat verzin…’ Ik zuchtte. ‘Dan is dat je volste recht. Ik ga je heus niets verplichten.’ Ik draaide me om, ging over het drempeltje terug de living in. Het was stil in mijn hoofd.
Vlak voor ik de deur wou openen – ik was ervan overtuigd dat het juiste moment toch niet zou komen – trok Gustav, die me achterna was gekomen, me aan mijn arm weg van de klink. Mijn hand greep in het niets.
‘Mijn zin kwam er verkeerd uit. Ik geloof je wel, en ik vertrouw je meer dan normaal ik voor… meer dan mag. Ik wou je gewoon vragen of-… of je het niet vreemd vind dat je niet helemaal van jezelf bent. Nee, dat is pas vreemd. Laat maar.’ Hij boog z’n hoofd en wendde zich naar de deur.
‘Je vroeg je af of ik wel wlde geloven dat mijn geest van iemand anders is. Of ik dat niet eng vindt dat die iemand al dood is. Dat mijn geest theoretisch al begraven is. Bedoelde je dat?’ Het voelde goed dit allemaal luidop te zeggen.
‘Dan kan ik je dit zeggen, Gustav: denk jij dat ik voor vanmiddag iemand, wie dan ook, geloofd zou hebben als die me zou vertellen dat mijn geest voor een deel die van Clara Van Daalen was, geboren in de winter van 1932, op 13 januari om precies te zijn?’
Verbijsterd staarden we elkaar aan.
‘Hoe weet je dat?’ vroeg hij ontdaan.
‘Ik wst het niet.’ antwoordde ik stil. ‘Ik vlde het.’ Ik slikte. ‘Het is die dag, en niet anders. Het voelt aan als mijn geboortedatum, alhoewel het die niet is.’ Mijn oogleden trilden, alles om me heen werd wazig, onbelangrijk.
‘Sofie?!’ riep Gustav in de verte. Hoe, die stond net nog voor mijn-

Misschien is een tienbeurtenkaart geen overbodige luxe, dacht ik, met mijn hoofd nog in de 21ste eeuw, vlak voor ik de grens met de vorige zou overglijden.

Wat is een tienbeurtenkaart?


----------------------------------------------------------------------------------------
Renate en Dorien, als je niet zo goed meer weet wat ik zei over de schrijfsters van fanfiction's, scroll dan nog even terug, en lees het nog eens overnieuw, want, meisjes, dat is voor en over en genspireerd door jullie.
<3

20

Iemand klopte op de deur. Eindelijk, dacht ik, en mijn gezicht gloeide toen mijn verbeelding een brokje pure schoonheid voor mijn achterdeur plantte, nog eens extra benadrukt door de absoluut afschuwelijke tuin.
‘Kom erin, mijn allerliefste!’ zwijmelde ik nog voor de deur goed en wel open was.
‘Hallo.’
‘Jij?’ slikte ik.
‘Inderdaad.’ zei hij. ‘Ik.’ Terwijl hij binnenkwam, mij opzijduwend, vroeg hij met begerige ogen sinds wanneer hij mijn allerliefste was.
‘Je weet best dat ik het niet tegen jou had.’ zei ik heel erg neutraal. Ik gaf de deur een duwtje, maar niet hard genoeg, zodat ze niet in het slot viel. Hij ging toch niet lang blijven, daar zorgde ik wel voor.
‘Waar is Maarten?’ vroeg ik, terwijl mijn handen de leuning van de keukenstoel kneedden alsof het een brood was. Recht tegenover mij zat hij, comfortabel onderuitgezakt.
‘Moet ik dat nou weten, poppetje. Hij ligt meer met jou te rollebollen tussen de hagen dan dat ik hem zie!’ Ik hapte naar adem.
‘Weet jij van- van.. van de haag?’ stotterde ik.
‘Van de haag? Natuurlijk, schat! Hoe kom ik hier anders, denk je?’ Hij lacht me uit, dacht ik. Dat deed me mijn kaak verstrakken.
‘Ik word liever Clara genoemd. En wie heeft je gezegd dat je daar mocht zitten?’ beet ik. Hij stond langzaam op, boorde zijn helblauwe ogen in de mijne.
‘Nou, snoetje, gaan we toch lekker in de salon zitten? Waar is die hie-’
‘Clara.’ zei ik ijzig.
‘Gevonden.’ meldde hij. Hij bleef me negeren toen hij met grote passen naar de zwarte leren zetel beende. Pas toen hij zat leek hij zich mij te herinneren. Hij leunde achterover om me door het deurgat aan te kijken. ‘Kom je nog?’ vroeg hij. Ik probeerde net zo vastberaden naar de zetels te wandelen als hij dat gedaan had, maar ik vroeg me af of hij het inwendig grappig vond dat ik niet kon acteren.
‘Waarom kom je niet eens even lekker gezellig bij mij zitten, meid?’
‘Ik zit liever alleen.’ snauwde ik.
‘Doe nou niet onvriendelijk tegen me, Claartje. Ik ben altijd al vriendelijk geweest tegen jou, je hoeft echt niet bang te zijn. We zijn toch vrienden?’
‘Vreemde definitie van vriendschap heb jij. Wat moet je?’ grauwde ik. Hij was doorzichtig. Ook qua persoonlijkheid.
Hij glimlachte, maar ik zag hoe ik hem op de zenuwen begon te werken.
‘Waarom vraag je niet of ik iets wil drinken, zoals elk ander opgevoed meisje zou doen?’
‘Ik geef je toch niks.’ Ik weet niet waar ik die moed vandaan haalde. Plots stond hij voor me, duwde mijn hoofd hardhandig omhoog aan mijn kin.
‘Nou moet je eens goed naar me luisteren, h kindje.’ Zijn stem klonk beheerst, maar zijn ogen waren met het ijzigste blauw doorweven.
‘Als ik zeg dat ik dorst heb, dan bied je me iets aan. Anders zou je wel eens heel erg veel pijn kunnen krijgen. Dus gehoorzaam me, en haal wat van die heerlijke Hasseltse jenever van die ouwe van je.’
‘Nee.’ Ik vertrok geen spier toen zijn hand me op mijn wang raakte. Behoorlijk hard.
‘Takkewijf!’ brulde hij. ‘Moet ik het zelf nemen?’
‘Je hebt al genoeg op, me dunkt.’ zei ik met opeengeklemde tanden. Zijn adem rook verdacht naar onverdunde whisky. Zijn vuist beukte nu.
‘Je bent een vrouw, erger nog, een meisje, en je hoort dus respect voor me te hebben.’ siste hij, wit van woede en minachting. Hij was dronken, hield ik mezelf voor. Dronken en op het verkeerde pad. Als ik niet te veel reageerde, als ik kalm bleef, zou er niets gebeuren. Dit kan ik wel aan.
‘Takkewijf. Ik neem het zelf wel.’ Hij was niet bijster origineel in zinskeuze. Palilalisch. Het woord stuiterde al meer dan een week door mijn hoofd, wachtend op een situatie waarin het zou passen. Hij leek bijzonder goed bestand tegen de effecten van alcohol op het evenwichtssysteem, want hij stapte met vastberaden tred op de drankkast af, en wankelde niet n keer. Had hij ons bespied? Ik was er eerder dan hij.
‘Nee.’ zei ik nog een keer.
‘Zozo.’ Zijn stem klonk vriendelijk, maar ik wist dat hij maar deed alsof. Alle maskers waren afgevallen, ook dat van mij. Ik kon hem niet uitstaan, hij mij niet. En we gingen er alles aan doen om dat te doen blijken. Maar ik wist dat het gevaarlijk begon te worden. Hij was de leeuw die de gewonde antilope achterna zat, haar steeds opjagend, tot ze van uitputting zou toegeven aan de wet van de sterkste. Ik was in het gezelschap van een wolf met genoeg verstand die het had gekund te overdenken dat hij zich het best in schaapskleren zou hullen. Hier moest ik bang van zijn, hij was in staat Roodkapje te verslinden zodra hij daar de kans toe kreeg.
‘Zozo.’ Ik keek hem zelfverzekerd aan. De antilope was nog niet moe.
‘Je bent me er wel eentje, h?’ Zijn vingers duwden mijn haar achter mijn oren. Een kleine beweging van mijn hoofd plaatste de lokken weer op hun oorspronkelijke plaats en verdoezelde de eerste tekenen van angst die door mijn trotse masker van vastberadenheid heen braken.
Met een dwingende blik propte hij de haren weer naar achter, en ik durfde niet meer tegenpruttelen. Een leeuw mag je nu ook weer niet gaan uitdagen.
‘Ja, jij bent me er wel eentje. Eentje met ballen. Ik vraag me af wat dat straks zal geven. Maar misschien moet ik eerst het terrein wat verkennen.’ Zijn stem was gedaald tot een bezeten gefluister. Hij stapte naar voor, hoewel ik zijn adem al kon ruiken, en met een opdringerigheid die ik van Maarten kende, drukte hij zich tegen me aan. Ik weigerde te voelen dat zijn lichaam zich perfect naar het mijne vormde, dat onze lichamen versmolten en even n geheel waren. Hij was even groot als Maarten, wat me niet verbaasde. Zijn neus wroette in mijn haar, zijn handen gleden vederlicht over mijn hals.
‘Je ruikt nog lekkerder dan Maarten als hij van jou terugkomt.’ mompelde hij. Ik haalde zo weinig mogelijk adem, maakte zo weinig mogelijk luchtverplaatsing. Ik wilde niet dat hij de enige was die mijn parfum opmerkte.
‘Weet je?’ zei hij iets luider nu. Hij leunde niet echt meer tegen me aan, maar dwong me wel in zijn ogen te kijken. Het blauwe ijs was ijswater geworden, soms dreef er nog een klomp op de voorgrond. Zijn vingertoppen gleden van mijn slaap onder mijn oog door naar het topje van mijn neus, naar mijn lippen. Ik veranderde in een zoutpilaar.
‘Weet je?’ herhaalde hij nog een keer. Zijn vingers gleden nu langs de rand van het enige bandje van mijn rode jurk. Er verscheen overal kippenvel toen zijn wijsvinger de boord naar beneden volgde.
‘Je doet me denken aan n van die sprookjesprinsessen. Zo wit en mooi en perfect als je bent.’ Hij was wel de laatste van wie ik dat wou horen.
Plots sloeg hij zijn armen rond mijn nek. Ik schrok hoeveel liefde uit dat gebaar doorschemerde. Hij nestelde zijn gezicht in mijn hals. Ik voelde dat ik bevroor toen zijn warme adem mijn huid beroerde.
‘Ach Clara.’ zuchtte hij. ‘Merk je niet wat een invloed je op me hebt? Ik word zo kalm van jouw aanwezigheid, jouw geur. Jij… jij voelt als thuiskomen. Alle spanning glijdt van me af als ik jou zie, als ik je voel. Zie je niet dat je perfect bent? Voor mij?’ Ik reageerde niet, alhoewel mijn mondhoeken licht trilden door de glimlach die ik wilde tegenhouden. Hij geloofde in mijn faade van droommeisje, trapte in de valkuil van het meisje dat hij van mij gemaakt had. Hij was net als ik veel te naef.
‘Laat Maarten toch vallen, Clara. Hij houdt niet zoveel van jou als ik dat doe. Bij mij kan je zoveel meer jezelf zijn. Met mij zal je veel en veel gelukkiger worden dan ooit met hem. Geloof me, Clara. Geloof me.’ Zijn stem was niet meer dan een trilling in mijn hals.
‘En weet je waarom? Weet je waarom, Clara? Mijn Clara?’ zoemde hij. ‘Omdat ik weet welke aandacht meisjes zoals jij verdienen. Maarten weet dat niet, maar ik kreeg de kans om hem en zijn liefjes te observeren en te leren, maar hij, hij ging maar door en-’, hij hapte naar adem, ‘hij beseft niet welke schade hij zo’n pareltje als jij kan toebrengen met die losse handjes van ‘m.’ Ik ben geen parel, wou ik zeggen, maar een baksteen. Gedoemd om te zinken. En die schipbreuk zou vlugger komen dan we alletwee durfden te verwachten.
Ik duwde hem bij zijn schouders achteruit en priemde met mijn vinger tegen zijn borstbeen. ‘De enige met losse handjes ben jij. En hoe zwart je Maarten ook maakt, dat zal niets veranderen, in de verste verte niet. En ooit zal het wel doorsijpelen dat hij de eerste en de enige is en zal zijn. En de tijdsduur, dat is jouw zaak. De dag dat Maarten mij in de steek laat, hou ik op te bestaan. En omgekeerd- Laat me los! Los, zeg ik.’ Hij had de nog altijd priemende arm vastgegrepen en trok me nu langzaam naar hem toe, alsof hij een grote vangst binnenhaalde. En toen dacht ik weer aan de leeuw en de antilope. Zij was gestruikeld. Het was te laat.
Hij sjorde mijn arm rond zijn nek en nam ook mijn andere. Zijn ogen beletten me te protesteren. Ze waren van zulk een helderste blauw dat het wel eens een eeuw zou kunnen duren voor alle facetten ervan doorgrond zouden zijn. Zijn ogen hadden net datzelfde innige subtiele vonkje dat hen verraadde als ze iets van plan waren, iets waarvan ze wisten dat het misschien niet in goede aarde zou vallen maar het toch moesten doorvoeren, Maarten en zijn b-
Plots, zonder enige waarschuwing, behalve zijn ogen dan, kuste hij me. Kussen, niet dwingen, zeker niet aanranden. Hij verraste me met de lieve, tedere bewegingen van zijn lippen, net iets tederder dan Maarten dat zou doen. Ik genoot.
Dit was fout. Heel erg fout. Onvergeeflijk fout.
Ik duwde hem weg, mijn ogen gesloten zodat de zijne me niet zouden benvloeden, verwarren. Aankijken. Het zou onverdraaglijk zijn. Ik had wel een hart. Hoe ging ik het hem voorzichtig en zacht duidelijk maken dat hij… dat hij niet mocht… moest weggaan?
n brok woedend verlangen beukte tegen me aan. De rand van de drankkast sneed in mijn rug en alle lucht in mijn longen werd naar buiten geperst. Mijn ogen vlogen open, staarden hem leeg aan. Ga je die kant op, leken ze te vragen. Hij zette zijn handen langs weerszijden van mijn lichaam, zodat ik ingesloten was. Deze keer stond hij zijn ogen niet toe hem te verraden, en voor een tweede keer stootten zijn lippen op de mijne. Harder, hebzuchtiger, dwingender. Eenzamer. De onderliggende pijn die ik nu voelde alsof het de mijne was, benam me de adem.
Altijd was Maarten de degene geweest die de beste, de slimste, de liefste, de populairste, de mooiste was. Maarten ging altijd met alles lopen; het mooiste meisje, de leukste vrienden, het meeste liefde. En hij? Hij bleef eenzaam achter. Genegeerd. Alleen. Steeds dieper de grond in geduwd door het gevoel door niemand gewild te zijn, door niemand graag gezien, door niemand echt geliefd. En elke keer als Maarten weer een nieuwe triomftocht kon organiseren, schrijnde de wonde.
Een half verzweerd litteken dat nooit zou helen.
Ik voelde me gebruikt, maar niet door hem. Door Maarten.

Toen voeren we tegen een ijsschots. Over enkele minuten zou mijn wereld gezonken zijn.

‘Godverdomme! Smeerlap!’ schreeuwde iemand verbaasd, en toen ik de stem herkende wist ik dat water scheppen niks zou uithalen. Hij werd hardhandig van me afgehaald, Maartens vuist ging bliksemsnel de lucht in en trof als een geoefend vechter zijn oog. Maarten keek minachtend op hem neer, sleurde hem omhoog aan de revers van zijn vest, pinde hem met n hand vast aan de muur en sloeg hem zonder verpinken noch aarzelen tegen zijn kaak, zijn neus, mond, waar hij hem maar kon raken, waar hij hem wilde raken, en schopte in zijn maag en tegen zijn schenen, zodat hij kreunend voorover neerviel, roerloos, met zijn gezicht naar de grond. Nog steeds was Maarten blind van woede, nog steeds niet bekoeld. In een waas zag ik hoe hij zijn voet naar achteren bewoog om hem in zijn zij te schoppen, opnieuw en opnieuw en opnieuw.
Ik zag Maarten hoe ik hem niet wilde zien, nooit meer wilde zien. Ik keek paniekerig van de grond naar de furieuze jongeman die tot voor kort nog van me hield en weer terug.
‘Hou op.’ mompelde ik. ‘HOU OP! MAARTEN!’ Zijn blik schoot naar mij, en onwillekeurig deinsde ik achteruit van de onverbloemde haat die uit zijn ogen, bewegingen en woorden sprak.
‘Zo! Kom ik dat hele eind door die rottuin van jullie…’ Nog maar een dag geleden was hij in staat geweest onze tuin de hemel in te prijzen, alleen maar omdat niemand ooit de moeite nam om hem op te knappen, omdat niemand die onverklaarbare drang zou hebben door het verdorde perk te kuieren, zodat ook niemand ooit van ons zou afweten. De gevolgen van haat konden de overtuigingen van mensen zo doen veranderen dat ze dag en nacht leken, zon en sneeuw, zwart en wit. Ik kneep mijn ogen dicht bij de gedachte dat Maarten onze tuin minachtte, onze tuin, ons toevluchtsoord uit de loodzware dagen waarop we gelukkig waren, maar niet mochten tonen dat we gelukkiger waren dan anders, dagen waarop we het niet mochten uitschreeuwen om de liefde die ons overvallen had, liefde om het vinden van iemand die ons volledig begreep, volledig omvatte, ons voltooide. Die tuin betekende meer voor me sinds Maarten en ik daar elkaar gevonden hadden. En de gedachte dat die tuin nu minder voor hem betekende dan voor mij, beet in mijn hart. Hard.
Hij raasde maar door, zag niet dat hij me volledig aan het breken was, hoorde de duizenden stukjes gevoel die van me afbrokkelden niet voor zijn voeten vallen.
‘… en doe ik al die moeite om mijn meisje te redden van een zieke vent die haar lastigvalt, alleen maar om te horen dat mijn vriendin, de vriendin die me eeuwige trouw had gezworen, d vriendin, het voor hem opneemt? Verdomme nee, dat doe ik niet!’ Hij stond vlak voor me, nog geen twintig centimeter bij me vandaan, en ik onderdrukte het verlangen door hem geknuffeld te willen worden. Dit was niet mijn Maarten, dit was hem allesbehalve.
Ik antwoordde niet, ademde in en probeerde mijn stem terug te vinden. Tevergeefs. Hij wachtte, wilde me mezelf horen verdedigen, zodat hij weer kon gaan brullen. Hij bekeek me schattend, alsof hij bedacht hoe hij het me het best zou kunnen raken. Alsof hij dat niet wist.
Achter Maartens rug krabbelde hij weer recht, maar bleef versuft met zijn hoofd tussen zijn knien zitten. Toen dat lastig werd en Maarten nog steeds wachtte, tilde hij zijn hoofd op om zijn ogen dicht te knijpen voor het licht dat er pijnlijk in wou reflecteren. Zijn aanblik deed me schrikken. Zijn gezicht leek vergeven te zitten van de beurse plekken, en zijn rechteroog werd langzaam paars. Maarten zag me kijken en doorbrak zijn beledigende stilte. ‘Als ik ook maar n spoor van medelijden voor dat onbenul zie, sla ik zijn andere oog ook dicht.’ zei hij dreigend, en ik zag in zijn ogen dat hij dat ook zou doen.
‘Minachting voor mij heeft hetzelfde resultaat.’ siste hij. Gevonden.
‘Wees gerust. Minachting komt nog niet eens in de brt.’ kraste ik. Ik verbeet de tranen om de kleine druppeltjes bloed uit zijn neus. Ze druppelden gestaag uit zijn linker neusgat, en de steeds vergrotende rode vlek op zijn hand hypnotiseerde me. Zijn pijn vrat me op.
Ik was niet verliefd op hem, zou het ook nooit worden, maar hield van hem hoe Maarten tot voor kort van hem had gehouden. Omdat ik zelf te blind was om te zien wat deze echt was, had iemand het me moeten duidelijk maken. En die iemand was hij geweest, en daar droeg hij nu de gevolgen van. Ik voelde me onnoemelijk schuldig. Hij trok zichzelf zachtjes omhoog aan de leuning van een stoel, en met pijn in het hart zag ik hoe hij meteen na het oprichten zijn arm over zijn buik sloeg en zich kermend weer dubbelplooide. Maarten zag mijn blik verschuiven en lachte zonder het te menen.
‘Oeps. Foute keuze.’ zei hij spottend. Nog voor Maarten voor hem stond en zijn vuist kon vormen, was ik er al om hem te beschermen. Ik kon het niet maken mijn redder te verraden. Ik schrok van mijn snelheid. Misschien was er toch nog iets waar van antilope en de leeuw. Maar de vreedzame bedoelingen van de leeuw hadden een gevecht met het luipaard uitgelokt. Het luipaard was sluwer. Sneller ook. Er mocht geen twijfel over bestaan dat ik het niet zou halen.
‘Verdedigt ze hem nog ook!’ klakte hij afkeurend met zijn tong. En toen viel zijn frank. Tenminste, de frank waarvan hij dacht dat die er was.
‘Je vond het lk?’ vroeg hij ongelovig. ‘Je keurde het gd dat hij aan je zat? Slet.’
De woorden kerfden harder in mijn ziel dan de slag. Negeer de pijn, Clara, hypnotiseerde ik mezelf toen ik in de door haat verkleurde ogen van Maarten keek. Als je niet aan de pijn denkt, voel je hem ook niet. Voor mijn ziel was er geen trucje. Ik merkte dat de fysieke pijn sneller wegtrok dan ik had verwacht. Ik word het gewend, dacht ik geamuseerd bitter. Mijn vader, Willem, hij en nu ook Maarten. Wie volgt? Achteraan aanschuiven.
Cynisme was mijn soort humor. Al hoorden vrouwen geen moppen te tappen. Daarvoor was hun wereld al wreed en cynisch genoeg.
‘Het briefje. Dat vonden jullie waarschijnlijk reuzegrappig.’
‘Ja.’ zei ik, maar zoals altijd konden mijn ogen de waarheid niet verbergen. Ik wist van geen briefje. Zijn mond werd een strakke vastberaden streep toen hij me opzij duwde. Mijn weerstand smolt als sneeuw voor de zon toen ik zijn vingertoppen duidelijk voelde op mijn blote schouder. Maarten grauwde toen hij hem aankeek. Hij tilde hem op aan zijn kraag. Zijn adamsappel bewoog wild toen hij wilde slikken.
‘ “Ik bezorg dat briefje wel, vertrouw me maar.” Vertrouwen. Bh.’ Maarten spuwde in zijn gezicht. Ik zag hoe hij n enkele keer met zijn ogen knipperde, en bewonderde hem voor zijn kalmheid, ondanks de vernedering.
‘Nou? Wat heb je daarop te zeggen, klootzak?’
‘Misschien moet je hem eerst laten ademhalen als je een antwoord wil.’ zei ik kalm. Maarten liet hem los, en terwijl hij naar zijn handen keek alsof er een afschuwelijke bacterie had huisgehouden, stormde hij op me af.
‘Proberen we soms grappig te zijn, dame?’ dreigde hij. Mijn blik ging een fractie van een seconde te lang naar de bronzen kandelaar in zijn armen, die hij achter Maartens hoofd optilde. Ik wist niet of hij wel degelijk ging slaan, maar het feit dat hij ons behoorlijk veel pijn had gedaan kon wel eens doorslaggevend zijn. Alhoewel het als bedreiging ook wel al kon tellen. Te lang, want toen Maarten zich vragend omdraaide, wist ik dat ik een uilskuiken was. Hij rukte de kandelaar uit zijn verzwakte armen, zwaaide hem vervaarlijk boven zijn hoofd en besloot op het laatste moment hem toch maar niet uit het raam te gooien.
‘Ach. Hoe romantisch. Het nieuwbakken stelletje springt voor elkaar in de bres.’ siste hij venijnig terwijl hij de kandelaar in zijn hand woog.
‘We zijn geen stel.’ zeiden we tegelijk, onze ogen vlogen naar elkaar toe. Kom op, leken de zijne te zeggen. We slaan er ons wel door. Nog even.
Zijn neus begon weer te bloeden door de beweging van zijn hoofd en hij probeerde onopvallend naar de deur te schuifelen. Hij voelde aan dat de fysieke woede eindelijk bekoeld was. Nu nog de verbale.
‘Loop maar weg.’ zei Maarten zonder zijn blik van me af te halen. ‘En als ik jou was – al zou ik dat in de verste verte nog niet willen zijn – zou ik de komende weken heel erg rustig zijn in mijn buurt.’
Ik weigerde mijn blik als eerste af te wenden – alhoewel zijn ogen me zoals gewoonlijk deden duizelen –, en dus hoorden we de deur zacht dichtgaan terwijl we nog altijd elkaars blik peilden. Mijn hand schoot vooruit en greep de zijne. Ik wist niet wat ik aan het doen was.
Een golf van allesverzengende pijn beukte door mijn zenuwen toen ik de velletjes voelde die door het aftuigen van zijn handen en vingers waren geschuurd. Hij keek naar zijn en mijn vingers. Ik zag hoe zijn kaak verstrakte. Ik ging het toch maar proberen.
‘Maarten. Hij is je b-’
‘Niet meer.’ onderbrak hij me.
‘En ik… ik was je vriendinnetje, weet je nog?’ Zijn antwoord kwam minder hard aan omdat ik al wist wat hij ging zeggen.
‘Nooit meer, Clara. Nooit meer.’ Hij rukte zijn hand los, keek nog n enkele keer naar mijn gezicht, en ging zonder zich nog een keer om te draaien, weg.
De put wenkte. Maar ik wilde nog niet terug.
‘Maarten!’ riep ik. Terugkomen zou hij niet. Een schreeuwende mond, een slaande hand en een afwijzende rug zou het enige zijn wat ik me van onze gelukkige maanden zou kunnen herinneren.
De put zoog aan mijn jurk.
De antilope gaf zich over. Geen leeuw of luipaard had haar lichamelijk kunnen doden, maar haar ziel had haar uitgetelde lichaam al vaarwel gezegd. Ze zou nooit meer opstaan.


‘Clara.’ was het eerste wat ik hoorde. Meteen slaakte ik een zucht van verlichting. Maarten ws teruggekomen. Ik opende mijn ogen, om meteen spijtig te beseffen dat ik verkeerd was. Het plafond van mijn studio scheen me koud toe.
‘Hij is wakker! Bill, je bent-’ Ik duwde me op in de zetel net op het moment dat Tom, Georg en Gustav door Bill uit elkaar geduwd werden. Onze blikken zochten en vonden elkaar, en meewarig lachten we diezelfde medeplichtige lach. Zijn ogen verontschuldigden zich nu al voor de slag van straks. Het moet, seinde ik terug. Het lot kan je niet veranderen.
Hij stond op en kwam naast me zitten, de drie anderen verbouwereerd achterlatend.
‘Ik wil hem geen pijn doen.’ fluisterde Bill benepen.
‘Ik jou ook niet.’ zei ik. We wisten allebei heel zeker wie de hem en hij in Clara’s ogen, bij ons zou zijn.
Hij wist het alleen zelf nog niet.


-----------------------------------------------------------------------------------------------------
Voor Dorien, die er keer op keer op keer weer weet in te slagen me met een orkaan van een reactie van mijn stoel te blazen. Ik steun je, meid.
Voor Renate, omdat ze gewoon Renate is. En dat is hoe ik haar het allerliefste heb.
<3

21

‘Hee, hallooo?? Aarde aan Bill?’ Een stem deed onze pas uitgesproken woorden onbewust naar onze achterhoofden verdwijnen, waar ze zouden liggen broeden tot het te laat was om ze te gebruiken, tot het te laat was om te herstellen wat kapot zou gaan.
‘Bill!!’
‘Huh? Wat?’ Hij scheurde zijn ogen los van de mijne.
‘Jezus, man, waar zat je?!’
‘Euh… hier in de zetel?’
‘DIT IS NIET ECHT HET MOMENT OM DE FLAUWE PLEZANTE UIT TE HANGEN, HOOR!!’
‘Tom, jongen, kalmr!’ Georg duwde hem in de zetel, waar hij zenuwachtig op zijn been begon te trommelen. Zijn blik gleed snel over ons heen, en hij sprong op.
‘Zal ik anders even de situatie schetsen? H? Zal ik dat-’
‘Tom. Kalmeer.’ Georg trok hem weer in de zetel en hield hem daar. We zeiden nog steeds niets, Gustav was n en al schattende glimlach.
‘Ja, ja-ha! Ik zal wel- Laat me los!’ Georg deed zijn hand omhoog en voelde even aan zijn neus.
‘Staat-ie d’r nog op?’ Tom ijsbeerde voor onze zetel, zodat we onze benen moesten optrekken als we nog tenen wilden overhouden. Opeens stond hij stil. Hij wees naar ons.
‘Jullie.’
‘Wij.’ zei Bill.
‘Jullie waren tegeljk.’
‘Tegelijk wat?’ hield ik me van de domme, maar hij negeerde me. ‘Van hr kan je dat wel verwachten, ja. Maar B- Maar. Zj, ja. Maar hij?’ Tom slikte. Hij praatte over ons alsof we er niet waren. ‘Hij dus ook.’ Zijn ogen staarden. ‘Hij dus ook al.’ Bill trok een wenkbrauw op. Kan ie dat echt? Nou.
Tom zakte een beetje van slag in de zetel. Hij zwaaide zwakjes en afwezig met zijn hand.
‘Gustav.’ Hij lachte.
‘Proficiat, hoor. Jullie zijn de eersten die Tom met zijn mond vol tanden doet staan.’ Hij haalde adem.
‘Sofie, weet je nog? We gingen net teruggaan naar je kamer.’
Schat, ben ik ooit je verjaardag vergeten?
-Nee.
Goed zo.
Ik lachte naar Bill.
Je lach is nog steeds even duizelingwekkend.
-Dankje.
‘-eg, dus moe-’
Eigenlijk is het best wel raar dat-
-Maarten, ik probeer op te letten. Zou je beter ook doen.
Juist.


Ik wilde alleen zeggen dat-
-Maarten.
Goed, goed. Ik zwijg al.
‘Sorry Gustav, wat zei je?’ Ik grijnsde zonder naar hem te kijken toen ik nog een heel klein beetje de verbolgen stem van Maarten in die van Bill herkende.
Gustav stokte zijn zin en keek hem verbaasd aan.
‘Moet ik hlemaal opnieuw beginnen?’ vroeg hij geschokt.
‘Liefst wel ja.’ glimlachte Bill onschuldig. Gustav zuchtte gergerd en keek me ongeduldig aan. ‘Sofie. We gingen terug. En vlak nadat je die geboortedatum van Clara had gezegd was je weer vertrokken. Ik heb je dan maar opgetild en in de zetel gelegd, want de vloer is nu niet bepaald het zachtste kussen dat je kan bedenken. Ik vertrouwde erop dat je wel weer wakker zou worden, net zoals alle keren daarvoor. Ik besloot je nog even te laten liggen en ondertussen te gaan melden dat je weer even 50 jaar terug in de tijd ging-’
’60.’ zei ik. ‘Sorry.’ Gustav keek me aan alsof hij van mijn gezicht wou lezen hoeveel en wanneer ik hem nog zou onderbreken, maar ging dan toch verder.
‘Dus, dat je weer even 60 jaar terug in de tijd was gegaan. Oh, moest het je interesseren, de stofzuiger staakte. Tom en Georg onthaalden me met ogengedraai, maar Bill, jij werd lijkbleek. Je vroeg of je het wel goed gehoord had, en of ik het nog eens wou herhalen. Ik vond het behoorlijk overreacting van je, toen. Ik bedoel, het was al de derde keer, maar nog voor ik dat kon zeggen, had je me al zonder pardon opzij geduwd en naar buiten gestormd. Je brulde ook nog iets in de trant van Ze mag niet - … HIJ mag niet! en toen sloeg je de gangdeur zo hard achter je dicht dat we het veiliger vonden even mee te gaan. Je stond zo over de zetel gebogen dat het leek alsof je alleen nog maar benen en een kont had. Je hoeft niet te lachen, man, je keek haar zo strak aan dat je ogen af en toe wegdraaiden, maar knipperen deed je niet. Serieus!’
Bill lachte ongelovig. ‘Kan niet! Ik zou me dat gezicht toch wel herinneren zeker?’
‘Ik versta je wel.’ wierp ik op.
'Dat mocht ook, kip, dat was een compliment!’ grijnsde hij.
‘Geloof het dan niet, hoor je, dat is dan jouw probleem. Ik ga hier niet liggen verzinnen!’ mopperde Gustav.
‘Zitten.’ mompelde Tom. Hij leek niet echt levend genoeg om echt gehoord te hebben wat er gezegd werd. Ik herkende zijn toestand meteen.
‘Wil je verdergaan? Je vertelt goed.’ smeekte ik. Slijmen kon geen kwaad als je het meende. n de aandacht moest weg van Tom.
‘cht?’ Hij leek in z’n nopjes. ‘Waar zat ik?'
‘Bij Bill die me over de leuning van de zetel zo strak aankeek dat-’
‘Juist. Toen ging alles heel snel. Je kreeg overal kippenvel, duwde je handen opeens recht naar het plafond en wees zo kordaat naar de lucht dat het leek alsof je het de les aan het spellen was. Bill volgde je arm van je schouder tot het topje van je langste vinger, zei: “Het is tijd.” en strekte zich. Hij wandelde met besliste stappen om de zetel heen, om zich achter je hoofd tegen de muur te laten zakken. Bill, schrik niet, maar je ogen waren leeg! Het was goor. Het leek wel een slechte horrorfilm. Serieus, je keek zonder te zien. Toen je je ogen sloot dachten we dat je aan het nadenken was en het duurde even voor we doorhadden dat je niet hr was, maar toen we zagen hoe je in het wilde weg met je armen begon te boksen, dan wisten we wel dat je niet in je normale doen was. Nou ja, van jou weten we dat dat nooit voor 100% kan, maar-’, hij negeerde het kussen dat een lachende Bill naar zijn hoofd gezwierd had en zo’n halve meter boven het beoogde doel doorvloog, ‘maar toen hadden we dus wel twee van zulke gevalletjes zitten.’
‘En toen zei jij, Sofie, ineens “Maarten”. We gingen weg bij Bill, maar nog voor we iets van verandering konden opmerken, zei die “Clara”. Hectisch, dat wel. En toen werden jullie wakker. Als wakker al het goede woord is. Op hetzelfde moment.’ besloot Gustav.
‘En toen duwde meneertje ons bij wijze van dank opzij, om bij jou te gaan zitten’ gromde Tom. Ik was de enige die schrok van zijn stem. Nu al? Ik keek bezorgd in Toms ogen. Hij keek vragend terug. Had ik me vergist? Ik hoopte zo hard van wel.
‘Ik moest haar wat zeggen.’ verdedigde Bill zichzelf.
‘Wat dan?’
‘Weet niet meer.’ zei Bill onverschillig. Ik ook niet.
‘Dat zal dan best wel een interessante boodschap geweest zijn.’ siste Tom.
‘Hou op met kibbelen. Er zijn belangrijker dingen nu!’
‘Zoals?’ Tom was nog steeds kribbig.
‘Mijn stakende stofzuiger?’ probeerde ik. Hij draaide met zijn ogen en mompelde net verstaanbaar: ‘Echt wel.’
‘Ha! Ik durf te wedden dat jullie niet eens geprobrd hebben!’ snoof ik en veerde op. Ik stampte geveinsd kwaad de gang op, me wel degelijk bewust van de vier blikken die tegen mijn rug knalden.

Ik zuchtte onmerkbaar maar toch tevreden toen ze allemaal opstonden. De aandacht was verschoven. Ik voelde dat ik daar niet tevreden over mocht zijn, want alles wat nu zou gebeuren, zou volledig door mij komen. Maar het lot mag je niet in de weg staan of veranderen, het lot moet je simpelweg gehoorzamen. Voor alles is een reden, en het zou oneerbiedig zijn om te doen wat niet mocht; proberen het lot naar je hand te zetten.
Wat gebeurt, dat gebeurt, ookal is het absoluut niet prettig. Soms moest je gewoon ondergaan, doorstaan, overleven. Aanvaarden ook. Ook al zou het een bittere pil te slikken worden.

‘Ha!’ Ik moest moeite doen om boven het geraas uit te komen. ‘Zie je nou wel?’ Ze zaten allevier in de zetel, Bill op n van de armsteunen met zijn rug half tegen de leuning en zijn linkerbeen voor zich uitgestrekt. Zijn rechter was om de rand van de zetel geplooid en zijn hoofd steunde op de vuist van zijn rechterarm op de bovenkant van de leuning. Ik analyseerde elke kromming, elke boog van zijn lichaam en prentte het in mijn hoofd, vurig wensend dat ik me zijn houding nog zou herinneren op de dag dat ik ook eens zo elegant op mijn gemak al mijn ongemakkelijke plaats dat toeliet zou kunnen zitten.
Tom zat zover met zijn benen open als zijn broek dat aankon. Hij leek wel de lompste man op aarde in vergelijking met de rustige sierlijkheid van zijn broer.
Georg leek zich volledig op zijn gemak te voelen, te oordelen naar zijn bijna volledig uitgestrekte onderuitgezakte lichaam.
Gustav keek me met halfdichtgeknepen ogen aan en trommelde afwezig met zijn vingers op de houten leuning. Hij vroeg zich zeker af waarom ik hen n voor n aankeek, met de slang van de nog altijd luchtzuigende stofzuiger besluiteloos nu eens in mijn ene dan weer in mijn andere hand.
Maar mijn blik gleed weer over hen heen; de elegantie van Bill, de mannelijkheid van Tom, de rustige Georg, de geveinsd afwezige oplettendheid van Gustav. Ik prentte deze beelden afzonderlijk en samen n voor n op mijn netvlies, want ik wist dat ik de jongens nooit meer op zo’n voor elk van hen typerende manier zou zien, laat staan dat ik ooit nog de kans zou krijgen om iets tegen hen te zeggen. Dit beeld moest ik onthouden, om me er aan te kunnen blijven herinneren dat er ook een tijd was geweest dat ze me wel aardig hadden gevonden.
Straks zou er iets kapot gaan. Dat wist het kleinste kind. Je kon niet zomaar je idolen tegenkomen en dan verwachten dat alles goed zou gaan. Ik wist al hoe, ik wist al wat en ik wist al wie, maar dat hielp niet tegen de pijn. Integendeel zelfs.

Ik opende mijn ogen die ik onbewust gesloten had toen de slang een schokkende beweging maakte in mijn hand. Een wolkje stof plofte tevoorschijn. Misschien wordt het tijd dat ik nog eens naar Hasselt ga.
Ik plukte glimlachend de laatste stofdeeltjes uit de lucht toen een veel groter en dikker wolkje tevoorschijn pofte. Recht in Toms gezicht. Die niesde en plooide reflexief dubbel. Zijn brul overstemde de stofzuiger voor even toen een paar van zijn dreadlocks in de stang terechtkwamen. Naast hem lachte de rest zich krom, maar ik kon alleen maar met grote ogen van de slang in mijn hand naar Toms woedende en steeds roder wordende hoofd en weer terug kijken, plots beseffende dat dat kleine “tjsoemp”-geluidje geen te levendige fantasie was geweest. ‘AAAAAUUWW!!! WAT STA JE TE DOEN?? ZET UIT!! Aiii…’
‘Oh ja. Bill, hou even vast, wil je?’ Ik duwde de slang in zijn handen, maar die was heel erg hard aan het proberen te voorkomen dat lachtranen zijn aangezicht zouden omtoveren tot dat van een panda, dus greep hij eerst nog twee keer naast voor hij voldoende nuchter was.
Tom was uit alle macht zijn haar aan het proberen terugwinnen, maar zoals ik al zei, mijn stofzuiger is niet bepaald van het slag dat al meteen opgeeft bij het eerste zuchtje tegenstand. Hij krijste nu echt toen ook zijn duim en wijsvinger aan de natuurkrachten moesten gehoorzamen.
Gustav kukelde uit de zetel van het ongecontroleerd naar adem happen en Georg klemde zijn armen om zijn middel en kermde met een grijns tot achter zijn oren dat Tom geen gitarist maar clown had moeten worden. Ik adviseer ook een carrireswitch.
De zoem stierf langzaam weg toen ik de stofzuiger uitduwde. De slang viel hulpeloos op de grond, hevig teleurgesteld dat ze haar spelletje moest staken. Tom zuchtte blij en aaide over de geteisterde dreads.
‘Ik was jullie bijna kwijt, jongens. Ja, het is hr schuld, ik weet het.’
‘Prt jij tegen je hr?’
‘En?’ Sofie, hou je mond. –Hou zelf je mond, Clara.
‘Tja, planten groeien ook als je d’r tegen praat.’ Ons publiek proestte achter zijn hand.
Je hebt het zelf gewild, hoor je.
‘Mihmihmih “Planten groeien ook als je’r tegen praat” Mehmehmeh.’ bauwde hij me na. Zijn ogen bliksemden me mijn bed in terwijl hij zijn bandana rechttrok en zijn pet opraapte. Het was even stil, afgezien van Bill, Georg en Gustav die zaten te schokken en alledrie heel erg hard hun best deden niet te stikken in hun Oh-my-gosh-Tom-is-zo-onsterfelijk-grappig-hysterie.
‘Er is blijkbaar nog niet genoeg weggezogen, maar kom, alle beetjes helpen.’ mompelde ik net luid genoeg.
‘Wat waarvan?’ grommelde Tom, geveinsd ongenteresseerd.
‘Stof van je hersencellen.’ zei ik serieus.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Sjees. Hebben jullie z lang moeten wachten, krijgen jullie dt. Dsole.

22

De lachuitbarsting van onze toeschouwers klaterde me achterna door de gang toen ik mezelf in veiligheid bracht, voor Toms woedebrul dat overstemde. Hij trapte zo te horen de aan/uit-knop van de stofzuiger bijna in friet, bleef met zijn te grote schoenen in de slang vasthangen maar kon het nog net in de vlucht ergens vastgrijpen en op een haartje na voorkomen dat hij met z’n smikkel op de grond terechtkwam en liep daarna blind van woede tegen de deur die ik uit voorzorg achter me had dichtgetrokken.
‘GEMEEN!! JIJ BENT CHT GEMN!!’ Terwijl ik door de gang crosste stelde ik me Tom voor, met de stofzuiger hotsend en botsend achter hem aan en een gezicht dat zo pijnlijk keek dat het wel nep mst zijn.
Gierend sloeg ik de deur van de keuken achter me dicht en zakte er hikkend tegenaan naar beneden. De komende vijf minuten zou ik NIET bijkomen. Ik kende deze lachbuien heus wel. Omdat ze door iets in mijn verbeelding werden opgewekt duurden ze vl en vl langer en was het aartsmoeilijk ze te stoppen, omdat mijn hoofdje het beeld telkens weer opnieuw oprakelde als het voelde dat ik aan het uitbollen was. Dus, vergeet me niet te reanimeren na deze vijf minuten. Gewoonlijk is mijn kleur ergens tussen paars en rood in en hijg ik als een os.

‘Verstoppen heeft geen zin! Kom maar tevoorschijn!!’ brulde Tom nauwelijks een minuut later (dus nog vier minuten geduld), gevolgd door een halfoverstemde “Scheiss- Rottafel!’ en het geluid van zwaar hout dat over steen schuift.
Ik probeerde mijn lach zolang mogelijk in te houden, maar ik dreigde te stikken en ik wou nog niet dood.
‘Hier zit je dus!’ riep hij, en duwde met zo’n kracht tegen de deur dat ik opzij geduwd en tussen de kastjes en de deur geplet werd.
Tom stoof binnen, de slang naast zich als zijn trouwste volgeling. Verraadster.
‘Nu heb ik je. Ha.’
‘Shit.’ Geloof je me als ik zeg dat ik in de juiste situatie zat om dat woord te gebruiken? Ik was ingesloten door de deur links, de kastjes rechts, de muur achter en Tom voor me. Daarbij kwam dan ook nog eens dat ik teenslippers droeg, wetende dat blauwe schenen schoppen geen optie was, n dat Tom vastbesloten was om op zijn minst n pluk haar van mijn hoofd naar de stofzuigerzak te transporteren.
‘Sorry Tom, het was een ongelukje, toch?’ piepte ik hoopvol.
Zoals verwacht: effect nihil.
De slang schoot vooruit, en ik dook een beetje in elkaar, om me voor te bereiden op afschuwelijke pijn.
Maar ik voelde niks. Ik opende voorzichtig mijn beste oog en keek vanonder mijn wonder boven wonder nog steeds onaangeroerde haar naar Tom, die met het puntje van zijn tong uit zijn mond zich in allerlei pijnlijk uitziende bochten wrong om zijn plannetje te kunnen uitwerken. De stofzuiger raasde in de living en bonkte elke keer met zijn neus tegen de deur als Tom aan de slang trok.
Ik had nooit gedacht dat ik zo blij zou zijn met tien cm.
Met tranen in mijn ogen en pijn in mijn buik sloeg ik hem gade, terwijl hij nog steeds weigerde toe te geven dat opgeven de enige oplossing was.
De stofzuiger hield het voor bekeken. Ik durf te wedden dat iemand in mijn kamer gemerkt had dat Tom verwoede pogingen aan het doen was om het snoer met stopcontact en al uit de muur te trekken, want net op het moment dat Tom nog een allerlaatste wanhopige aanval deed besloot die reddende engel dat het veiliger was om eerst het snoer en dan pas – als het echt nodig was – het stopcontact uit de muur te trekken.
Tom stuikte voorover en kon nog net de vermijden dat ik bedolven zou worden onder een hoop kleren met een lijf in door zijn handen tegen de muur te zetten. De deur sloeg tegen ons aan toen de stofzuiger overenthousiast de keuken binnendenderde. Nu verloor hij wel zijn evenwicht. Zijn zij bonkte tegen het aanrecht, veerde terug en hij tilde, op zoek naar steun, zijn been op.
Hij zou die ook gevonden hebben, ware het niet dat n van zijn schoenen achter mijn opgetrokken benen bleef haken en vooroversloeg. Tegen de deur.
Zijn andere been plofte in mijn maag en ik plooide voorover, mijn knien dichter dan mijn voorhoofd verwachtte.
‘Auw.’ kermden Tom en ik tegelijk. We proestten het uit toen we oogcontact maakten.
‘Dat was een klein lomp momentje.’ grijnsde ik.
‘Hee, mag ik mijn been terug?’ zei Tom droog.
‘Oh ja, tuurlijk.’ Ik strekte mijn benen en Tom krabbelde recht.
‘Kom, ik help je omhoog.’ Zonder aarzelen nam ik zijn uitgestoken handen en gaf mezelf een zetje. Maar Tom trok me recht alsof ik zelf geen beenspieren had en toen ik tegen hem opknalde leek het alsof ik voor de lol tegen een betonblok was opgelopen.
Ik kwam behoorlijk abrupt tot stilstand.
‘Sorry’ lachte ik, maar een kilte sloot zich om mijn hart toen hij zijn armen om mijn middel legde.
Vanop een afstand zou het eruitgezien hebben alsof ik viel en Tom me tegenhield, maar Tom en ik wisten wel beter. Zijn buik ademde gejaagd tegen de mijne.
‘Clara Clara Clara toch. Eindelijk.’ Hij zuchtte zonder weg te kijken.
‘Dit is de laatste kans die ik ooit zal krijgen, lieve lieve Clara; ik vind je leuk.’ Ik trok mijn wenkbrauwen op.
‘Tom, ik vind jou toch ook-’
‘Niet zo. Niet z.’ onderbrak hij me. ‘Weet je, Clara, vanmiddag… ik vond dat je… je was … Je zag eruit als Sneeuwwitje. De kleur van je haar…’ Hij bleef me aankijken terwijl hij een streng haar opzij duwde.
‘Zo zwart, toen. En je huid…’ Zijn wijsvinger volgde mijn kaaklijn tot mijn hals, het topje van zijn neus keerde de weg terug. Ik durfde niet te ademen. Zijn stem was herleid tot een gekweld gezoem.
‘Zo bleek, toen. En de kleur van je lippen…’ Hij legde zijn armen om mijn nek, zijn voorhoofd tegen het mijne. Verschrikt keek ik hem aan, maar zijn ogen waren dicht.
‘Zo rood.’ Op de tast legde hij zijn fijne muzikantenhanden rond mijn gezicht. Een vreemd berustend gevoel dat me de ogen deed sluiten daalde in mijn lichaam toen hij me kuste. Het zat erop. Datgene waarvoor ik het meest gevreesd had, was voorbij. En net als Marijn 60 jaar geleden merkte ik dat ook Tom niet aan zijn proefstuk toe was.
Verleer je dat nou nooit, Marijn?
- Clara… ik heb je zo gemist.
Hoe kan dat? Je kent me nauwelijks een halve dag.
- Ik ken jou al meer dan een halve eeuw, lief.
Mijn lichaam dan.
- Snap je dat nou nog niet, Clara? Ik kon toch niet wr wachten en zien hoe Maarten je weer inpalmt, vr mij?
Dit haalt toch niets uit, de toekomst zal hetzelfde blijven.
- Mooie toekomst, je s-
* Zo.
Mijn broer de ezel stoot zich dus blijkbaar wl twee keer aan dezelfde steen.



Hier zal Dorien niet blij mee zijn DIT OVERTREFT ALLE CLICHS! En ik heb al zo weinig lezers, wedden dat de rest nu ook afhaakt? Sorry voor het tijdverlies.

Who wants to know?

Lieve lieve lezertjes!
Alweer een boodschap van deze nietige verzinner!
Zoals jullie misschien gemerkt hebben, is er een nieuw stukje.
En wat voor n. Pff.
De enige reden waarom jullie dit lezen, is omdat jullie willens nillens gewaarschuwd zijn. Maar ik durf te wedden dat minstens de helft van wie ook daadwerkelijk naar hiertoe is gesurfd, eigenlijk liever niet wil gewaarschuwd wrden.
Duuuus... als jullie je willen inschrijven - uitschrijven is logischer - voor een waarschuwingkje, kan je altijd een mail sturen naar soft-ijske_999@hotmail.com.
Dan kan ik gewoon naar de hele groep van wie nog wil een mailtje sturen en hoef ik die anderen jou niet meer lastig te vallen.
Maar je hoeft het alleen maar te doen als je cht echt wil, ik begrijp best dat je een druk leven hebt. En dit is gewoon een testje, of het systeem wel functioneert.
In ieder geval, tot in mijn mailbox.
Zoen, Sofie

23

Bill
Ik schaterde het uit. Heerlijk, meisjes met een grote mond. Ik kon al raden wat Tom’s reactie zou zijn.
Het duurde twee seconden voor de zin ingezonken was, ik zag zijn kaak verstrakken, en toen de bekende ik-laat-niet-met-me-sollenbrul door de kamer schalde, keek ik verkneuterd toe hoe hij opsprong. Toen Toms steunende schouder plots wegviel, viel ik opzij. Tegen Georg, die eigenlijk alleen maar verstoord opkeek alsof ik was komen binnenvallen terwijl hij net aan zijn ochtendritueel was begonnen en ik vrolijk verkondigde dat het wc-papier op was en dat hij moest gaan winkelen.
Zie je wel. Toms hand schoot uit naar de slang en het powerknopje kreeg het zwaar te verduren onder zijn voet. Iedereen keek vreemd op toen Georg uit de zetel zakte en met een behoorlijke bonk op de grond terechtkwam, maar ik net iets minder omdat ik een lichtblauw vermoeden had dat mijn schouderduwtje er wel een beetje voor iets tussen zat. Zijn benen schoven vooruit, en omdat – zoals ik verheugd opmerkte – Tom net op n been voor hem stond van de stofzuiger aan te trappen, keek ik met naar ik vermoed bijzonder blinkende oogjes toe wat er zou gebeuren.
Zoals ik al verwacht had; Tom verloor zijn evenwicht. In een reflex strekte hij zijn andere been, dat been dat in de lucht hing, er geen rekening mee houdend dat hij de slang nog steeds in zijn hand had en met maaiende armen stortte hij ter aarde. Of eerder, ter zitzak. Gelukkig, ik denk dat Tom nogal gesteld is op zijn tanden.
Als door een wesp gestoken veerde hij weer op, zich plots realiserend dat Clara hier nog altijd ergens ongeschonden rondliep, en toen hij zich naar ons toe draaide om Georg een very dodelijke blik toe te werpen, was daar de perfecte gelegenheid om hem heerlijk vierkant, rechthoekig en cirkelvormig uit te lachen.
Tom wist niet waar we het vandaan haalden, maar toen hij onze blik volgde, moest hij toch wel even slikken. De slang had zich op een bijzonder strategische plaats vastgezogen, totdat hij ze van zijn broek snokte en naar de deur holde, en een laatste blik naar ons die niet veel goeds voorspelde moest zijn uittocht begeleiden.
In volle overtuiging dat de deur nog open was. Niet dus.
Ik kreeg bijna een beroerte van mijn aanhoudende lachstuip.
‘GEMEEN!! JIJ BENT GEMN!!!’ De stofzuiger hoste achter Tom het hoekje om.
Ik had net besloten om weer te proberen normaal adem te halen toen Gustav benepen zei: ‘Jullie beseffen toch dat we hier net het meest komische duo van de huidige eeuw ontdekt hebben, h?’
‘Wie? Tom en de stofzuiger of Tom en Sofie?’ Ik grinnikte en kreunde toen mijn buikspieren protesteerden. Inderdaad, lachen is gezond. Nu weet ik tenminste dat ik daar k spieren heb.
‘Kom maar tevoorschijn!’ hoorde ik in de living, net boven de stofzuiger uit.
‘Gaan we’s kijken?’
‘Waarom? Ik ben zeker dat Tom zijn eigen boontjes wel kan doppen, hij smeert al zelf zijn boterhammen, en daarbij, ik denk dat dit wel belangrijker is, of niet soms?’, zonder zijn ogen van het scherm af te halen naar de Playstation gebarend.
‘Junkie.’
‘Ja hoor, Billie. Dag.’ Zo. Zijn we in de PS-trance dan? Even testen.
‘Georg? Ik kom vannacht je haar afscheren.’
‘Tuurlijk, jongen. Groetjes! Wat zit je nou te lachen, man? Laat me dan toch tenminste eervol winnen!’, riep hij verontwaardigd tegen een schokkende Gustav.
Grinnikend liep ik achteruit naar buiten. Ik wilde voorbereid zijn op een aanval van Georg.
‘Bill euh…’
‘WaAAAH!!’ Ik bonkte met mijn hoofd tegen de wandkast in de gang. Het laatste wat ik besefte is dat ik me gerealiseerd had dat ik over de gespannen draad van de stofzuiger was gevallen en hem door mijn vaart uit het stopcontact had getrokken.
En toen werd alles zwart.
Dus zo voelt Clara zich.

24

Sofie
‘Ga godverdomme van haar af, man!’ Mijn ogen vlogen open toen ik Bills stem hoorde, samen met die van Tom. De bruine kijkers verwarden, vernielden en lijmden me weer met golven van uitzinnige vreugde, radeloze angst en allesverterende spijt.
Het was niet helemaal duidelijk welke spijt.
Door de vloek in Bills woorden en de razende klank van zijn stem wist ik dat Tom geen kans zou krijgen.
Ik herinner me alleen flitsen, alsof het geheel verdrongen is, alsof het me zou verpulveren.
Tom tegen de kast, zijn hand op zijn oog; het andere verbluft, geschokt, treurig.

Bills koolzwarte, koude, emotieloze ogen; de vastberaden, vinnige trek om zijn mond; krakende vingers aan een slanke hand.

Een rollend schouderblad.

Een zucht.

Pijn.

Clara! Help me! Het bleef stil.
CLARA!! Toen ze sprak, klonk ze heel kalm, alsof ze lang was weggeweest.
Alsof ze pijn had.
Denk aan Bill. Niet deze. De vr-vandaagversie. De onbereikbare versie.
Ik snapte niet wat ze daarmee bedoelde, maar toen ik zijn vlammende ogen zag, wist ik wat me te doen stond. Het ging escaleren. Zijn stem was vertrokken van woede, zijn ogen waren n en al woede, Bill was gewoon woede.
Ik sloot mijn ogen en oren voor de buitenwereld. Liet mijn gedachten over mijn posters dwalen, over de CD-hoesjes. Over de voorbije nacht, toen ik niet kon slapen omdat ik hun trein zou zien.
…Clara… Ik schrok op. Mijn ogen werden vanzelf naar Bill toegezogen. Hij stond er als bevroren bij, zijn blik intens op mij gericht.
…Clara. De zucht werd een smeekbede, een klaagzang.
‘Bill?’ Hij reageerde niet. Tom huilde. Onzichtbaar. Ik kon hun band horen breken.
‘Bill?’ probeerde ik luider, dwingender.
Ik slikte toen Clara mijn vermoedens bevestigde.
‘Maarten?’ piepte ik.
‘Wat met jou, slet?’ Dus toch.
Maarten had Bill opgesloten. In zijn eigen hoofd.
‘Let op je woorden.’ zei Tom. Zijn stem bibberde, maar hij herstelde zich snel.
Maarten draaide zich traag om, zijn ogen schoten vuur. Hij stond zelf ook in lichterlaaie.
‘Of anders wat? H? Wt ga je met me doen? Sukkel.’
‘Of anders zal ik jou eens echt-’
‘Laat Bill vrij, Maarten.’ Ze schrokken allebei.
‘Wat bedoel-’
‘Waarom zou ik?’
‘Omdat het moet, Maarten. Waarom zou je nog een keer bestaan? Waarom zou jij jouw luilekkerleventje willen opgeven voor dat van een drukbezette, internationale ster?’
Hij stapte naar me toe, legde zijn vingers om mijn gezicht, streelde met zijn duim over mijn kaak.
‘Voor jou, Clara. Enkel en alleen voor jou.’
Nog voor ik kon protesteren boog hij zich voorover en ik besefte net op tijd dat hoewel Maarten nu dit lichaam bewoog, het nog altijd Bills lippen waren en duwde hem bij zijn schouders achteruit. Hij hield niet van tegenspreken. Dat had ik moeten weten.
Kippenvel rolde over mijn huid tot in de toppen van mijn tenen toen een klinkende slag door de keuken galmde.
Dit. Is. Niet. Bill.
Niet.
Negeer hem. Luister naar me, Sofie. Negr wat hij gedaan heeft.
‘Ik ben Clara niet, Maarten! Ik ben Sofie, verdomme. Hij is Tom. Niet Marijn. Daarom moet je Bill vrijlaten, drom. Ik vertrouw je, ik weet dat ik dat moet doen, en Clara daar,’ ik tikte tegen mijn voorhoofd, ‘die ook.’
Bill? Ben je daar nog?
Bill?!
-Ja?
Hij klonk ontzettend stil. Ik was bijna te laat geweest.
Maarten zakte op een stoel, zijn hoofd steunend op zijn handen, blik op oneindig.

Er hoestte iemand in de deuropening.
Een ik-ben-aanwezighoest.
Georg en Gustav keken ons met wijdopen ogen aan.
‘W-waarom spreken jullie Nederlands?'

25

Tom hapte naar adem. ‘Ik spreek helemaal gee-’
‘Nu doe je het wr, man! Wat zg je?’
Clara hapte naar adem. Nadat ik eerst verbluft naar het verschijnen van Georg en Gustav had staan staren, draaide ik me nu, met mijn mond halfopen, om naar Tom.
‘Mag ik je ogen eens zien?’ Ogen van het ijzigste blauw.
‘Waarom?’ Ik gaf hem geen antwoord, maar keek hem meteen recht aan.
Als gehypnotiseerd keek ik toe hoe de helderblauwe ogen transformeerden naar donkerbruine. Ergens tussen blauw en bruin in, net op de grens, vroeg ik me af hoe hoe het kwam dat ik dat niet eerder gemerkt had. Hoe had ik de zonder twijfel overduidelijke kleurverandering zomaar over het hoofd kunnen zien?
Ik geloof dat ik daar een beetje voor iets tussen zit, sorry.
Oh. Geweldig.
Toen ik overdonderd weer naar Toms ogen keek, leek het alsof ze nooit blauw geweest waren.
Bedankt Marijn.
-Graag gedaan. En euh… sorry voor die zoen.
Niet erg.

‘Wat zit je te bazelen, man? Spreek ik geen Duits of wat?’
‘Ja, nu wel… Sofie, jij moet toch ook-’
‘Geef gewoon toe dat er iets met je oren scheelt, Georg!’ Tom kwam naast me staan en stompte me om te verhinderen dat ik iets fout zou zeggen.
Hij wil niet dat je het verteld, over Maarten en die kus en zo. >
-Nou, dat hadden we nog niet gemerkt, dankjewel Marijn.
mompelde Clara sarcastisch, terwijl ik ongemerkt over mijn ribben wreef.
‘Ik heb geen idee, naar mij moet je niet kijken hoor! Jij liep vooraan!’ verontschuldigde Gustav zich.
‘Ja hallo, naar mij ook niet! Ik heb niets gemerkt!’ stak ik mijn handen in de lucht.
Tom lachte en mepte op Georgs schouder. ‘Dat is het eerste teken van ouderdom, dat besef je toch?’
‘WAT is dat met je oog?!’
‘Oh. Uhm…’
‘Toen hij mijn haar wou opzuigen, is de deur tegen hem gelopen.’
‘Heh?’
‘Jezus, Georg, ben je geverfd of zo?! Ik heb de deur tegen hem aan geduwd als verdediging, jeweetwel, toen we-’
‘Jaja!’ zei hij gergerd. ‘Ik bedoel alleen maar: het ziet al grn!’
‘Dan euh… geneest het snel?’ Tom wist niet hoe hij moest reageren, hij klonk aarzelend.
Littekens uit het verleden die opnieuw opengereten worden, zullen nooit meer de kans hebben te genezen.
Onze ogen flitsten naar elkaar, en daarna naar Maarten. Zou hij…?
Nee. Ik ben niet weg. Maar hij wel. Maartens donkere ogen keken Tom aan. Toen hij verbleekte, had ik het ook door.
Bill?
BILL??
-Het is verloren moeite, sukkels. Hij komt niet terug. En als hij dat wel doet, ben ik er ook nog om hem te stoppen. Zeg maar dag tegen je vriendje!

Ik kreeg kippenvel van het bijna satanische lachje dat door mijn hersenpan schalde.
Maartens lippen waren verwrongen in een wrede grijns.

‘Anyway, we moeten terug naar de trein. David is laaiend. Niemand, zelfs jij niet, Bill, nam zijn gsm op.’
‘Omdat het niet mijn gsm is.’ antwoordde Maarten kil.
‘Van wie dan wel?’ vroeg Georg half spottend, half op zijn hoede.
‘Van-’
‘Zal ik jullie voeren?’
‘Wat had je gedacht? Ik heb geen zin om nu nog op een bus te stappen, en trouwens, het is, theoretisch gezien, jouw schuld dat we hier zijn.’
‘Excuseer?! Georg, vooraleer je mij hier weer ‘ns ten onrechte gaat beschuldigen, kijk dan maar eerst even naar die medegitarist van jou! Het is hij die-’
‘Ja, waarom niet! Het zal nog mijn schuld zijn ook!’ Hij duwde speels tegen mijn achterhoofd, maar kreeg meteen commentaar van Clara. Ik denk dat ze hem wel mag.
Man! Niet zo schudden, daar raak ik helemaal ondersteboven van!
Net het feit dat Clara er wel was, maakte dat we weer serieus werden. Gelijktijdig keken Tom en ik om.
Hij zag er kalm uit.
En dat stelde ons allesbehalve gerust.

26

In de lift stonden we redelijk op elkaar gepakt.
Mevrouw Cornelis en haar boodschappen hadden veel plaats nodig. Reken daarbij ook nog eens haar dolle chihuahua Missy O en het ego van de mevrouw zelf, en je komt zonder problemen aan een halve lift. Maar als we het hele hebben en houden van mevrouw Cornelis vergeleken met dat van Lysa, zijn we duidelijk beter af in dit geval.

Ik verstijfde toen een hand over mijn onderrug gleed. Oh wonder, ik stond naast Maarten.
Heeft die nu geen manieren?
Zijn handpalm. Hij haat het als je daarin knijpt.

Zijn tanden knarsten toen ik hard in het zachtste deel van zijn hand kneep, en de druk op mijn onderrug verdween.

Clara, Sofie, hij gaat slaan. Hij is woedend. Doe iets, nu.

‘Oh! Hoe gaat het met zijn darmpjes, mevrouw? Nog steeds geen werking van de laxeerpilletjes?’ Ik zakte impulsief naar beneden en strekte mijn hand uit naar de door het hele blok gehate rat, terwijl ik Maartens vingers boven mijn hoofd hoorde kraken.
‘Haar.’ antwoordde de vrouw koel, terwijl ze me vanonder haar wimpers minachtend aankeek.
‘Hr darmpjes. H, m’n lieve Ookiepookie, je heb het toch wel lastig! Jaah, je bent mijn allerliefste schattebout, ja hoor! Jha!’
De hond kefte venijnig en hapte naar mijn uitgestoken hand. Mevrouw Cornelis keek tevreden toe.
‘Laat deze marteling toch alsjeblief zo snel mogelijk voorbij zijn.’ mompelde ik terwijl ik van het schrikken achterover viel en oog in oog kwam te staan met de verraderlijke oogjes van het gewelddadige monster.
Ze blafte nog een keer, en in de stilte die daarop volgde maakten ook Tom, Georg en Gustav kennis met de zwaar opgemaakte maar nog steeds overmatig gerriteerde blik van de eigenares, als reactie op het gegniffel om mij en om de hond.
Het gesprek tussen mij en mevrouw Cornelis mocht dan niet in het Duits geweest zijn, volgen konden ze wel.
Toen de liftdeur achter de wekelijks gemasseerde trippelvoetjes dichtgleed en wij eindelijk terug naar beneden konden gaan, durfden ze zich een lachbui permitteren.
‘Laxeerpillen. Voor zo’n hond?’
‘Ik durf te wedden dat al zijn ingewanden naar buiten spoelen.’
Ik lachte geremd mee, terwijl ik vlug opstond en naar de andere kant van de lift schoot.
Mijn ogen gleden via de spiegel over Maarten, en ik merkte dat Bills zwartgeverfde haar een bijna blonde schijn had gekregen. Al kon dat ook aan de verlichting liggen.
Hij prutste aan de nagels die Bill kunstig had gelakt, en met een verwrongen trek om zijn mond krabde hij alles eraf.
Mietje dat het was, verdomme. Ik heb toch ook altijd de slechte.

Ineens keek hij me recht aan, nog steeds met de spiegel als boodschapper.
Ik weet niet hoe lang we zo elkaars blik vasthielden, maar het duurde tot we op het garageverdiep waren aangekomen en leek eindeloos. Tom keek toe, maar greep niet in.

De bekende lucht van vuilniszakken en uitlaatgassen waaide in mijn gezicht toen we uit door de deur naar de garage gingen. Ik weet niet hoe het komt, maar vanaf mijn jeugdjaren vond ik dat ondergrondse garages lekker roken.
De auto blonk in het licht van de tl-lampen, die vlug aansprongen en een heleboel bolletjes teisterden mijn ogen.
Ik stapte in, de anderen schoven achter en naast me. Toen ik het knopje van de afstandsbediening voor de poort indrukte, schoot een flits van het ‘gevecht’ van deze middag door mijn hoofd. Bill die een verdienstelijke poging deed om Tom dood te kietelen en lachte.
Dat zag ik Maarten nog niet zo snel doen. Hij keek onafgebroken naar buiten. Tom deed hetzelfde, alleen aan de andere kant en Gustav in het midden. Georg zat stil naast me.
Tijdens de rit zweeg iedereen, ik was zelfs blij dat we eindelijk aan het station gekomen waren. Maarten kon niet snel genoeg uit de auto komen.
Terwijl ik zijn rug volgde en dacht aan hoe diezelfde rug hier nog geen vijf uur geleden ook gelopen had maar van een andere eigenaar, brulde Tom iets, en ik verliet mijn gedachten terwijl ik goed mijn best aan het doen was om mijn lip in twee te bijten.
‘Hey, moet je niet iets zeggen? Ondankbaar kind!’ Maarten draaide zich stuurs volledig om en spuwde ‘Nee.’ uit. Hij gooide Tom nog een very dodelijke blik toe en liep de trein in. Ik kon door de spiegelramen niet zien of er ergens licht brandde, maar ik vermoedde dat David wachtte.
Ik schrok op van iemand die lekker lomp naast mij plofte op de passagierszetel, waar net Georg nog had gezeten. Het leek me niet meer dan logisch dat het weer Georg zou zijn, maar ik schrok mij een driedubbel hartinfarct toen ik dezelfde kastanjebruine ogen keek als van de persoon die daarnet weggelopen was.
Even dacht ik dat Bill terug was, dat Maarten had verloren, dat hij…
Het was Tom. ‘Heb jij een idee hoe we het gaan oplossen?’
‘Oplossing?’ mompelde ik.
‘Voor het concert morgen, en de soundcheck nu.’
‘Maarten kan zingen.’
'Wat een toeval.' antwoordde Tom sarcastisch.
'Toch niet. Het is nog steeds Bills stem.' Ik hapte naar adem door mijn woorden. Het klonk alsof ik Tom ervan beschuldigde dat hij zijn broer al vergeten was.
Hij vond niet dat het zo klonk, en een reeks pruttelende geluidjes maakte me duidelijk dat ik volgens het volgens hem bij het verkeerde eind had. Ik liet hem geen kans om dat te bewijzen.
'Tom, maak dat je als de bliksem uit de auto bent, en dan rijd ik misschien nog vlugger weg en zie je me nooit meer terug. Ik wil niet nog een leven-’
Tom hapte naar adem, nu zou het gaan komen, een hele preek over geen discipline en eenvoudige mensenkennis.
Zie je, daar had je het al. Ik voelde me even een drienhalfjarige die niet kon begrijpen dat de zon niet uitdooft in de zee als ze ondergaat, toen Tom met een zwijg-luister-en-ik-duld-geen-tegenspraak-toon meer woorden produceerde in exact 1 minuut 43 seconden dan ik in deze situatie op nog geen 4 minuten.
‘Sofie. Nu moet je eens goed naar mij luisteren. Jij weet evengoed als ik (daar is de mensenkennis) dat je dat NIET zou kunnen (en daar was de geen discipline).
Als je dit nu doet, hoeveel keer zou je bewust onbewust voorbij gereden, gelopen, gefietst zijn, nieuwsgierige blikken werpend door ramen waar elke normale mens geen steek door zou zien?
Je zou je elke dag, elke minuut afgevraagd hebben hoe we het redden zonder Bill, wat we zouden verzinnen, wat jj zou verzinnen als iemand een fout zou opmerken. De enige manier om Maarten in toom te houden, ben jij. We kunnen ons alleen dekken met het op het toneel verschijnen van Clara.' Nu was hij degene die me geen kans liet tegen te spreken.
'Sst, tijdens de rit naar hier heb ik zo’n beetje zitten denken en-’
‘Tom, deed het geen pijn?’, de plagende stem van Georg duikelde in mijn schedel. Hij en Gustav hadden op een afstand met elkaar staan babbelen, maar David en Maarten kwamen uit de trein en liepen in onze richting. Het was het signaal om te vertrekken, en Georg kwam Tom uit de auto porren, ware het niet dat hij deze eerst nog wat moest pesten.
‘NEE! En laat me nu met rust, ik probeer iets uit te leggen aan iemand met verstand! Sorry Gusti, ik had het op die aap naast je.
Sofie, jij moet naar het concert komen. Ik weet niet of je al van plan was om dat te doen voor Maartens opkomst, maar nu moet het. Je kan je er niet vantussen muizen.’
'Dat weet ik. Maar toch zal het niet lukken.'
Kennelijk verloor Tom zo stilletjes aan zijn zowieso al weinige geduld, ik zag dat hij het even niet leuk vond dat ik zijn briljante plan met n zin de Titanic achterna zond. Hij vond het nog ergelijker dat ik zo beslist klonk.
‘En wat is dat dan?’
Ik kon de ergernis horen. ‘Ik heb geen tickets.’

27

‘Ik zie niet in wat het probleem is! Hoeveel wil je er? Drie?’
‘Oh nee. Oh nee, Tom. Zet dat uit je hoofd! En wel nu! Zeg, denk je nu echt dat ik dat ga aannemen?’
‘Ok. Dat is dan geregeld. Alsjeblief, drie tickets. Tot morgen dan?’

Ik keek verontwaardigd van hem naar de tickets die hij zonder veel omhaal in mijn handen had geduwd en weer terug. Nee, ik zocht geen verschillen.
Tom stapte grijnzend uit en vlak voor hij de deur toesloeg, knipoogde hij: ‘Ik ga ervan uit dat een knap meisje als jij alleen maar omgaat met andere knappe meisjes? Ik reken erop dat je ze meebrengt. Tot morgen!'
In mijn normale doen had ik hem zeker een pets om zijn oren gegeven en een vermanende vinger naar Georg en Gustav uitgestoken omdat ze bijna stikten van het lachen, maar zoals je waarschijnlijk toch al een beetje doorhebt, was ik NIET in mijn normale doen.
De pets bleef uit – Tom vond dat waarschijnlijk een pak leuker – en Georg en Gustav stikten gewoon lekker verder. De inmiddels gearriveerde taxi toeterde opdringerig, en Tom holde ernaar toe.
Ik volgde de achterlichten van Davids auto, die erachter reed tot ze niet meer te zien waren. Tot ik ze niet meer wilde zien.
Ik weet niet meer wat ik daarna gedaan heb, waarschijnlijk de auto gestart en weggereden, anders zou ik nu niet als een idioot toertjes door de stad aan het rijden zijn.
Ik wist zeker dat ik niet naar mijn appartement zou gaan. Ik had het plan al afgeschreven nog voor ik aan de gevolgen ervan had gedacht.
Ik besloot om me volledig aan mijn gevoel over te laten, als ik zin had om naar links te gaan, dan deed ik dat. Rechts hetzelfde, al moest er wel iets zijn waar ik kn rijden, een appartementsgebouw was nu niet bepaald iets als een racecircuit.
Stel je niet zo aan. Clara's stem deed me schrikken en ik trapte op de rem. Door de plotse beweging viel de motor uit.
Mijn ogen gleden speurend over de omgeving: juwelier, frietkot, pakhuis, krantenwinkel, station-STATION!?!?
Memo voor mezelf: Ga nooit meer op je gevoel af.
Ik stapte uit, sloot de auto en draaide mijn rug naar het station. Ik ging lekker even totl geen aandacht geven aan wat meestal in een station te vinden is - een trein - en keek genteresseerd naar het pakhuis. Ik was – maar een heeeel klein beetje – nieuwsgierig.

Ik liep om de auto heen maar bleef hangen aan de stoepdrempel en kon een tedere aai met de stoep maar net ontwijken. Lang leve de reflexen!
Ineens viel het me op hoe donker het was.
Er sijpelde vanalles mijn hoofd binnen. De datum, het uur dat ik aflas van de klok aan de juwelierswinkel, de pijn aan mijn teen.
Ik besloot tegen de deur van de loods te leunen om in het licht van de straatlantaarn naar mijn teen te kijken, maar kreeg de schok van mijn leven toen ik achterover tuimelde.
Ik moet dringend beter beginnen opletten.
Toen de stofwolk was gaan liggen bleef ik een beetje verdwaasd zitten, gezellig tussen de resten van de deur.
Vaag voelde ik iets kriebelen op mijn hand, en toen ik met mijn andere het vermoedelijke stof eraf wilde vegen gilde ik het uit toen ik in het licht van de maan 3 van de 8 waarschijnlijk harige poten zag.
Zo goed is mijn zicht nu ook weer niet. En in dit geval: gelukkig. Ik wist niet hoe vlug ik rechtstond. Voetje voor voetje verkende ik de omgeving, erop lettend dat het bloot van mijn voet niet op de grond kwam.
n harig monster op mijn hand was genoeg! En ik zei al dat mijn zicht niet perfect is – verre van – dus zag ik het stuk van de deur niet.
Voor ik besefte wat er gebeurd was lag ik voluit op de grond.
‘VERDOMME! Verroest stuk irritante deur!’ gilde ik terwijl ik recht sukkelde en ik verkocht het verrekte ding een fikse trap.
En als je nog weet dat ik flip-flops droeg, weet je nu ook dat trappen tegen een deur met die dingen verdomd veel pijn doet!
Op n been huppelde ik rond terwijl ik alle heiligen op een hoop bij elkaar vloekte. Mijn stem klonk vreemd in het verlaten gebouw. Ze galmde te luid, en ik was bang dat iemand het zou horen.

Mijn ogen wendden snel aan het duister. Links het deurgat – zonder deur – en rechts een trap. Ik stond nu in een soort hal.
Met het enthousiasme alsof ik nog nooit een trap had gezien huppelde ik naar hem toe en begon aan de klim.
Ik negeerde de gedachte aan Maarten alsof die er nog nooit geweest was, vreemd genoeg en ondanks een gillende Clara in mijn hoofd, lukte het nog redelijk.

-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Lieve lieve lezers.
Het zit erop.
Ik heb de first Eyecatcher-anniversary veilig en zonder ongevallen/moordaanslagen overleefd, en ik hoop met heel mijn hart dat jullie dat ook hebben.
Ik dank jullie, voor dat hele jaar dat jullie trouw zijn blijven lezen, blijven smeken, blijven zweren dat het wl goed was, dat het wl de moeite is om te blijven schrijven en te blijven posten.
Daarvoor dank ik jullie.
Met heel mijn hart, mijn hoofd en heel mijn bestaan op deze aarde.

Ik hou van jullie, allemaal.
Op nog een jaartje?

Sofie

28

Ok, ik had niets tegen trappen, maar nu werd het toch wel teveel. Ik stapte nu al zolang dat het een automatisme geworden was. Al lang geleden was ik gestopt met treden tellen. Regelrechte bezigheidstherapie. Schande! Man, ik kon mekkeren! Oh, een deur. Fijn. Ow… EEN DEUR!?!? Verrast bleef ik staan.

Het voelde vreemd om stil te staan, om mezelf niet meer op te moeten peppen door te blijven gaan.
Eigenlijk wou ik wel blijven stappen, gewoon niets en niemand anders om me heen, alleen op de wereld, alleen ik en de trap. Eeuwig blijven stappen, me niets aantrekken van de koude en harde wereld om me heen. Ik miste nu al de zekerheid van de trap, voor en achter mij treden, er gewoon domweg van uit kunnen gaan dat na deze trede nog n zou volgen, en nog n, en nog n, tot in het oneindige…
Moest ik niet beter weten, ik zou zeggen dat je zwanger bent. Je wisselt wel erg snel van gedacht, h?

Hmm… wat zou er achter die deur zijn? De klink was binnen handbereik. Maar toen ik ze aanraakte, trok ik verschrikt mijn hand terug. Ze was ijskoud!
Kippenvel kroop over mijn blote benen omhoog, zo naar mijn armen, rug en nek.
Ik zoog geschrokken een teug lucht naar binnen en opende de deur zonder er nog veel drama over te maken. Ik had een doel. De deur piepte en kraakte, maar het resultaat was op z'n minst bevredigend.
Zo’n weids uitzicht had ik niet verwacht, hier midden in de stad. Oh, en die rust...

Nog zoiets dat ik niet had verwacht, rust vinden in Brussel. Ik sloot de deur achter me maar ontdekte te laat dat er maar aan n kant een klink was. De andere kant. Fijn.
Terwijl ik per stukje cm langs de randen opschoof was ik als een spons het uitzicht in me aan het opslorpen. Het kon ook de rust zijn.
Want dat ik die hr vond, hier, was wel een verrassing. De Stad Zonder Rust. Wat graag zou ik weerkeren naar thuis, het platteland, waar iedereen ook echt iedereen kent en als het even kan ook nog wat sappige anekdotes, waar dialecten de andere aanvullen alsof we in een rekensom zitten, waar fietsers met bosjes uit de lucht vielen, waar er kleine straatjes met maar n huis bestaan, mijn thuis. Wat had ik spijt van mijn vertrek. Ik ging werken- nou ja, vakantiewerken, zoals ik al drie jaar deed.
En studeren daarna. Of studeren ondertussen. Ik had geen idee waar ze een tolk zouden kunnen gebruiken. Thuis was geen optie. Een tolk op het platteland? Nee dus. Dat zou al even bizar zijn als een kerstboom in de zomer, compleet met nepsneeuw en mijn vader als oerslechte maar overgrappige imitatie van Santa Claus himself.
The one and only.

Zou Bill met een kerstmuts staan? Kijk even naar het onderste fotootje opzij, en laat me weten of het hem afgaat.
Sofie, verdomme, hou op! Bill is er niet meer.
Maarten wel.
Er is geen hoop meer.
Basta.
Fini.
The end.
Schluβ.
En die vervelende gewoonte om Duits te praten, die is ook overbodig.
Ik was niet van plan om ooit nog enig contact te hebben met alles wat nog maar Duits genspireerd is.
Niks meer. Van germanofiel naar germanofoob.

Mijn vrienden zouden het niet begrijpen.
Renate niet, Soetkin niet, Kirsten niet, Elke niet.
Iedereen in mijn omgeving zal raar opkijken, me proberen bekeren.
Maar ik zal weigeren, ik zal weerstaan.
Het moet. Het is een verplichting aan mezelf.
Niets zal er me ooit nog aan herinneren dat ik iemands persoonlijkheid heb doen verdwijnen.
Dat het mijn schuld is.
Dat ik daarmee ook ieder ander leven dat in verbinding stond met het verdwenen heb verwoest.

In een opwelling en ook plotseling wankelend op mijn benen door de keiharde mokerslag van het besef, besloot ik om op de rand van de loods te gaan zitten.
Het voelde luguber, het voelde goed. Het voelde.
Vreemd, ik die dacht dat ik altijd voelde wat ik wilde voelen, voelde nu niets behalve die twee.

Het zette me aan tot een serieus en diep nadenken over wt er nu precies allemaal gebeurd was. Het bracht me ver terug, veel verder dan ik ooit had toegestaan.
Het bracht me terug naar Florian. En dat was te ver.
Op de tonen van Yesterday van The Beatles, die nu ongecontroleerd en onverwacht door mijn hoofd twinkelden, verdrong ik zijn gezicht.
Net zoals het al die jaren had geklonken. Net zoals ik al die jaren had gedaan.
En nu begon het weer van voren af aan.

Tom
'Nee!'
'Wat is er, broertje? Lukt het niet? Iets anders in je hoofd? Of iemand?' Het kostte me moeite om me te gedragen tegenover Maarten zoals ik dat tegenover Bill zou doen.
Maar Georg, Gustav en David wisten van niks. En dat moest zo blijven.
Al bij al kwam het goed uit dat Maarten een behoorlijke stem had. Ik vroeg me af hoe het kwam dat niemand het verschil merkte. Er waren zoveel dingen.
Maarten lachte niet, waar Bill dat voortdurend zou doen. Maartens stem klonk gedwongen, waar die van Bill plezierig zou klinken. 'Er scheelt iets met een gitaar.' blafte hij, waarna hij me koud aankeek.
Nu was het genoeg. Ik voelde de kalmte zo uit me wegsijpelen. Tot nu toe had ik de venijnige opmerkingen nog kunnen verdragen, ik had ze, zoals vele dingen, gewoon naast me neergezet.
Maar als Maarten toch zonder problemen Bills geheugen kon hacken, zou het eerse dat hij zou moeten weten toch zijn dat niemand het ooit mag wagen om mijn gitaar te beledigen.
Zelfs niet als diens humeur beneden alle peil is.
Tegen mijn gitaar, is tegen mij, zo simpel was dat.
Ik deed de band van rond mijn schouder en probeerde haar met alle mogelijke zachtheid in de staander te zetten, maar toen ik op Maarten afstevende, stootte ik met mijn knie tegen de kop, en zoals verwacht liet Hare Majesteit een vals gegrom horen toen ze tegen de vlakte ging. Het galmde door de lege zaal en paste perfect bij de dreigende houding die ik tegenover Maarten aannam.
'Wij gaan nu een babbeltje slaan. Heb je me gehoord, Bill?' Ik was de enige van ons beiden die echt schrok van de scherpe en besliste toon in mijn stem.
'Heren Kaulitz! Zou het mogelijk zijn om NU terug jullie plaatsen in te nemen? Oh, Tom. Even ter info. DIE GITAAR IS VERDOMME NIET VAN PLASTIC.'
'Ik weiger te aanvaarden dat hij familie van me is.' Ik slikte door de woordkeuze. Waarom was er nu niemand die merkte dat dit niet Bill was? Die had nog nooit geklonken alsof hij uit de vorige eeuw kwam.
'Dat neemt niet weg dat ik met je wil praten.' hield ik mijn stem onder controle.
'Wil je me alsjeblieft met rust laten? Ik ken je niet. Tenminste, niet meer.' vervolgde Maarten, met iets wat in de verte op een glimlach leek maar het niet was door de koude, onbewogen blik in zijn ogen. Mijn vingers sloten zich om zijn pols. Het kostte me veel moeite om de bankschroeftechniek niet toe te passen.
'Hij doet me pijn, David.' zei Maarten sereen, en hij sprak de "hij" zo neerbuigend uit dat ik drie seconden lang walgde van mezelf.
Niet langer, want zonder op hem te reageren of Davids commentaar te aanhoren, sleurde ik hem mee af het podium, zonder pardon.
'Bestel maar een koffie. Het hangt van hem af hoe lang we weg zijn.'
Ik wist dat Maarten me zo van zich af kon slaan. Dat had hij al eens gedaan. Maar ik was niet bang. Misschien had ik indruk gemaakt.
Ik wist nog helemaal niet wat ik ging zeggen, maar ik vertrouwde op mijn creativiteit.
En op Marijn.

29

Ik opende de deur van de achteruitgang, en duwde Maarten in de betonnen hoek van de zaal en het bijgebouwtje. Achter ons ritselde een struik door een plots opgekomen maar toch bijzonder frisse bries, en uit het gras dat tussen de rode, korrelige parkingtegels woekerde, klonken krekels. Een zielige straatlamp gooide zijn oranje licht over het terrein. Het voelde als het einde van de zomer.
Maarten stond helemaal in het schaduwvlak, ik er net buiten.
Ik ademde diep in, terwijl ik in mijn hoofd zocht naar zinnen en woorden. Maarten keek me aan, in zijn ogen de vraag wat ik zou doen als hij nog een giftige opmerking in mijn gezicht zou durven gooien.
'Nu moet je toch eens heel goed naar me luisteren.' zei ik. Wat origineel, zeg.
'Sofie heeft hie-'
'Clara.' onderbrak hij me koppig.
'Clara ook, ze hebben hier allebei niks mee te maken. Maarten, er is geen enkele mogelijkheid dat Clara Sofie zal overnemen, zoals jij dat zo ineens met Bill hebt gedaan. Het zal niet gebeuren.
Want Clara wl dat niet. Ze vindt dat Sofie, net als Bill, recht heeft op een eigen leven, met eigen problemen en eigen geluk, eigen tegenslagen en eigen meevallers. Jij hoopt op het hopeloze, Maarten.
Want waar jij op wacht, zal nooit voorvallen. Jouw Clara komt niet terug. Nooit niet.'
'Nou en? Ik weet zeker dat Clara ooit wel aan mij zal toegeven, dat deed ze altijd en dat zal ze nu ook doen.'
'NEE, Maarten, want Clara is tevreden met Sofie. Net zoals ik dat ben met Tom, en jij dat moet zijn met Bill. Verdomme man, als je mocht kiezen tussen dat rondzwalpen in lichtloosheid, of hier op aarde deel zijn van een ander leven, wat zou je doen? Ik zou het wel weten!'
'Waarom deed je het weer?'
'Het? Wat deed ik weer?'
'Haar kussen. Had je nog niet genoeg pijn gehad?' Ik stond perplex, en Tom grinnikte in mijn hoofd. Dat wil ik ook wel 'ns weten.
'Nou eh. Wel ja, ze-'
'Ze wat?' Ik ademde door Toms longen.
'Ze trekt me aan.' Dat is het. Gatver, je hebt nog gelijk ook. Ze trekt me cht aan.
'Ze trekt je aan. Nounou.'
'Ja. Ze heeft iets, iets dat me, nee, Tom en ik, iets dat Tom en ik zo dol maakt dat we niet meer nadenken. Dat had ik met Clara, hij met Sofie. In haar buurt wordt ik de ijzerwol en zij de magneet.'
Mijn adem bibberde uit mijn keel. Ik dacht aan hoe ik ooit, in haar huis, mijn vingers over haar gezicht had laten glijden en aan hoe ze rook, toen. Tom vertelde over de druppels water die hij uit haar zwarte haar had gevolgd, zo de hele weg tot in het doorweekte T-shirt. Samen slikten we ons gevoel weg, en ik concentreerde me weer op mijn broer, hij op de zijne.
Want dat was het plan. Terwijl ik Maarten afleidde, zocht hij naar overblijfselen van Bill.
'Weet je nog wat ik zei, vroeger?' Hij reageerde niet, keek me alleen aan. Begrijpend leek het wel.
'Ik zei dat jij alles in Clara zoekt wat ik niet zal vinden. Aandacht. Warmte. Onvoorwaardelijke trouw. Weet je nog?' Ik wachtte tot hij knikte, wat hij, eerst aarzelend maar daarna beslist, ook deed.
'Ik zal nooit op haar verliefd zijn. Ik was het, ooit, eerst. Tot ik doorhad wat zij was voor jou. Toen niet meer. Maar eens ijzerwol, altijd ijzerwol. Dat kan ik niet stoppen.
Maar ik wil het niet op mijn geweten hebben iets te verwoesten wat zo gewild is. Het is me al een keer bijna gelukt, niet nog een keer. Geloof me. Jij had pijn, Clara had pijn, maar ik moest de mijne ook verdragen. Ik wist niet wat ik deed. Of wat ik nu gedaan heb.' Ik zuchtte diep en sloot mijn vermoeide ogen.
Meer kan ik niet doen. Het spijt me.
Bedankt, Marijn. Het is ok.
Ik ben degene die sorry moet zeggen.
MAARTEN?
Bijna tegelijk met de bekende derde stem in mijn hoofd, voelde ik mijn broers dunne armpjes om me heen.
'BILL?'
'Hij... hij heeft me losgelaten. Ik ben terug!' mompelde Bill verbaasd.
'Dat ben je. Hij is niet zo slecht als hij zich voordoet.' antwoordde ik, terwijl ik hem eens goed bekeek. Het voelde vertrouwd. Nee, het voelde zoals het eigenlijk altijd voelde. Als Bill.
'Tommi, wat heb je gedaan?'
'Heh?'
'Jij wou haar ook kussen.'
'Oh. Dat.' Waarom hebben we dit gesprek nog een keer?
'Wel eh...'
'Laat maar. Ik weet wel waarom.' Zijn stem klonk bedeesd.
Onwennig staarden we elkaar aan. Sofie zou een pijnlijk onderwerp worden als we nu geen woorden vonden.
'Vind jij dat ook? Over dat "nooit"?'
'Tuurlijk!' lachte ik. Uit enthousiasme om de – geveinsd – vrolijke klank in mijn stem, sprong hij op me af. Hij wurgde me net niet. En opeens, zomaar, sinds lange lange tijd, gleden een koppel simpele tranen over mijn wangen naar beneden.
Ik wist niet zeker of ik treurde om de pijn die ik mijn broertje had aangedaan en die ik had kunnen vermijden, of om wat ik tegen hem gezegd had.
Nooit is verdomme ook zo lang.

Bill
Toen ik aan David vroeg om de hele soundcheck nog eens opnieuw te doen, barstte hij bijna uit zijn vel. Maar ik bleef bij mijn standpunt. En hij zwichtte.
Het putte me redelijk uit, maar ik vond het geweldig.
Tom moest me wakker maken toen we aan het station aankwamen. Ik had een stijve nek van het zittend slapen in de taxi.
De kilte van de nacht sloop om ons heen. Ik huiverde en dook nog wat dieper in mijn jas. Het perron was leeg en had iets spookachtig onder de witte lichten.
We haastten ons de trein in, alsof we achterna gezeten werden. We verdwenen allemaal in onze wagon, zonder n woord te zeggen. We hadden ook niks te zeggen.

30

'WOW!' gilde Tom, toen hij de omvang van de trein zag. Georg floot tussen zijn tanden en Gustav stond met halfopen mond te staren. Mijn reactie was eigenlijk alles samen, al zie ik niet in hoe ik kan fluiten met mijn mond open. Om kort te zijn, ik was onder de indruk.
David glimlachte trots en grijnsde toen Tom zijn arm enthousiast op en neer kwam pompen.
'Jezus, man! Hebben wij echt zveel geld?'
MIjn ogen blonken van de pret terwijl ze over de loods waar we hyper stonden te doen gleden. De deuren van de loods waren opengesteld, en de zon scheen hard naar binnen. Het was een prachtige lentedag, de eerste sinds de start van het seizoen, twee weken geleden. Het leek alsof de zon wist dat het vandaag een blije dag ging worden.
In de vloer waren allemaal sporen, die als een spinnenweb door elkaar liepen, en op het spoor het dichtst tegen n van de muren, stond onze trein.
De trein waarmee we gingen touren.
Als vanzelf zwol mijn borst bij de gedachte, en opgewonden fladderde ik om de trein en de jongens heen. Iedereen was er, en iedereen was onder de indruk.
Ik ging heel dicht bij de trein staan, en keek als gehypnotiseerd naar de foto.
'Hee! Die verandert!?'
'Jip.'
'Oh my Gd.'
'Uhu.'
'Mogen we erin? H? H? Alsjebliiieeff??'
'Tuurlijk.'
'Ga weg! Echt?' Ik trilde van extase.
'Bill. Ik haat liegen. Maak dat je weg bent.'
Tom was me net een stapje voor, hij kon nauwelijks wachten tot de deuren uitgesist en open waren.
Onbezonnen spurtte hij naar binnen. Jammer genoeg voor hem en dankzij de ervaring op het gebied van treinen - die we niet hadden - bleef zijn voet achter het onopgemerkte trapje haken.
'Ik zou nog wat grotere schoenen aandoen.' spotte Georg, toen Tom onzacht de de vloer kuste.
We gierden het uit, vooral toen Tom nogal benepen zei: 'Hee. Die floer iss proper!'
De nieuwsgierigheid won het van de lachbui, en n voor n beklommen we voorzichtig en met overdreven drama het kleine maar verraderlijke trapje, erop lettend dat we Toms zin zoveel mogelijk herhaalden.
Mijn mond viel open toen ik boven was. Georg stampte me vooruit en zei dat ik op moest schuiven. Nu ja, hij probeerde dat te zeggen. Midden in zijn zin stokte zijn stem.
Bij Gustav hetzelfde liedje, alleen vroeg hij waarom we een opstopping veroorzaakten.
En toen viel ie ook stil.
Dit.
Is.
Geweldig.
We stonden in een halletje, zo'n soort inkomhalletje dat ervoor zorgt dat degene die binnenkomt alleen nog maar meer van het huis wil te zien krijgen.
De muren waren helder wit, en de zon die onverklaarbaar toch binnenviel deed ons de ogen een klein beetje dichtknijpen.
Links en rechts waren van die kleine schattige schuifdeurtjes in mat glas, maar ze riepen achter hen de illusie van ellenlange gangen op.
'Zalig, man! Een bad!!' gilde Tom gedempt. Ik glimlachte en besloot de rechtse gang te nemen toen Georg en Gustav in de richting van Toms stem schoten.
Het schuifdeurtje gleed soepel opzij toen ik eraankwam, maar ik werd er bijna tussen geplet toen ik bevroor in de opening.
Een lange, smalle gang lag voor me. Hij was nauwelijks een meter breed, en de hele linkermuur was uit glas. Ik zag elk detail van de muur van de staplaats, tot op de grond. De onderste twintig centimeter was van mat glas, en ik vermoedde dat dat tegen het gestaag opspattende vuil was. Ik had toen nog geen idee wat voor snelheden we zouden halen.
De rechterkant van de gang zag eruit als de gevel van een van een hele bende rijhuizen.
Een deur met ernaast een behoorlijk groot raam besloeg een hele wagon, er was een grijs tussenstuk dat eruit zag als een accordeon en dan begon weer een nieuwe wagon. Ik telde er n, twee, drie, vier en hl in de verte vijf wagons.
Toen ik de eerste deur opende - er hing een klein schermpje op, met een stylus die me deed denken aan een PSP, viel mijn oog meteen op het bed. Het was, zonder meer, enorm.
Het leek alsof er drie mensen in konden, en meteen vroeg ik me af of er iets van ons verwacht werd.
De rest van de kamer was van normale grootte, er waren twee kasten voor kleren op kapstok en een ladekast tegen de linkermuur en langs elke kant van het bed een nachtkastje. Er was ook een tv. Het zag eruit als een plasma, maar het kon een LCD zijn, ik weet het niet zeker. Hij zag er in ieder geval ontzettend duur uit. Hij hing tussen de deur en het raam, dat van in de wagon kleiner leek dan op de gang.
Achter het bed was een raam over de hele lengte van de wagon, en ik besefte dat er spiegelramen in zaten. Toen ik buiten stond kon ik niet naar binnen kijken, maar van binnenuit wel naar buiten. De vloer was uit een hoog wollig tapijt gemaakt, behalve in de uitdraai van de deur, waar een soort witte plastieken ondergrond lag. Het tapijt veerde onder mijn voeten toen ik rondstapte, ik leek op wolkjes te lopen. In de rechterhoek, boven het raam hing een box, die draadloos aangesloten was op een kleine stereo die eronder op een laag kastje stond. Naast dat kastje, waar meer cd's en dvd's in konden dan we op een hele tour konden gebruiken, hing een spiegel, een grote.
Wat was er hier niet groot?
De volgende twee wagons waren net hetzelfde ingericht, en toen kwam ik weer in een halletje. Het was kleiner dan de eerste hal, maar zeker niet minder indrukwekkend.
De laatste wagon leek op het eerste zicht hetzelfde als de andere, maar op de een of andere manier hadden ze er toch nog een extra ladekast ingekregen.
Ik had beslist. De laatste wagon zou van mij worden.
Ik grijnsde toen ik met een laatste blik op de luxueuze wagon de deur achter me dichttrok.
Ik zag de tour helemaal zitten. Toen ik me omdraaide zag ik tot m'n schrik Tom op me afstuiven, en ik wist nu al dat hij niet op tijd zou kunnen remmen.
Als een opholgeslagen koe liep hij me ondersteboven - ik weet niet hoe een opholgeslagen koe eruit ziet, maar als je het mij vraagt: als Tom die met een levensgevaarlijke rotvaart op je af komt stuiven en je niet opmerkt tot hij je overhoop knalt.
'Bill! Kom mee, gast, dit moet je gezien hebben!' Hij trok me half recht en stormde vooruit, zich er niet om bekommerend dat ik nog bijlange niet volledig rechtgekrabbeld was.
Als een oververhitte stoomtrein - nu we het toch over treinen hebben - walste hij in de gang David bijna plat, die zich in ware doodsangst tegen de muur drukte en beverig een dankgebedje voor zijn trouwe beschermengel prevelde. Ik hoorde hem vaag nog wat mompelen over "verkeerslichten" en "belachelijk", maar toen waren we het halletje al voorbij en verstond ik niks meer.
Tom bleef verderstuiven, ook toen we nog een deur passeerden. Voor ik het wist en terwijl ik achterom keek naar de voorbijgezoefde deur waar ik nog net "Keukenennogwat" had kunnen ontcijferen, stond hij stil en ik knalde ontzettend hard tegen hem op.
Niet dat hij het merkte. Hij was meer bezig met een deur en het verstoppen van wat erop stond, en keek toen naar mij en de reactie die ik straks zou tonen, om er niks van te missen.
Zei ik "luxueus" over de wagons?
Dan is dit gewoon snobistisch.
Voor me stond een hele verzameling niet-te-missen-van-thuis-electronica, gaande van een splinternieuwe, nog niet op de markt beschikbare PlayStation over een gi-gan-ti-sche flatscreen aan de muur tot een heuse prachtige en vooral inmens grte stereo.
Ik was heus wat luxe gewend, maar dit overtrof alles. Mijn ogen puilden uit hun kassen toen ik ook nog eens een reusachtige verzameling spelletjes en drie zetels ontdekte.
Georg en Gustav zaten gelukzalig in n van de zetels voor zich uit te grijnzen, terwijl hun ogen over de lieverdjes in deze wagon gleden. Ze knipperden niet n keer, en sloegen daarna Tom en mij met bijna glazige ogen gade, alsof we hen hadden wakkergemaakt uit een droom te mooi voor woorden. Ik had hem immers vastgegrepen en was met hem een wilde indianendans begonnen, wat zoveel betekende als maaiende armen en wild schoppende benen.
Pas toen hij er een beetje bleek begon uit te zien liet ik hem los, en hij hapte naar adem als een door een leeuw achternagezeten neushoorn. Misschien moet ik de volgende keer wat minder hard knijpen.
Om te bekomen zette hij de tv open, terwijl David rustig kwam binnenwandelen. Hij glimlachte toen Tom de tweede afstandsbediening ontdekte.
'Di-digi-DIGITALE TV?' Toms ogen waren groot van ongeloof.
'Jip.'
'Je-zus.'
'Nou. Wanneer vertrekken we?'
'Overmorgen.'
'Oh David, kom nou! Je kan toch al deze- al dit niet zomaar in de steek-'
'Toch wel.'
'Neeeheee...'
'Toch wel.' Tom trok een pruillip.
'Nee.'
'Ook niet als ik het heeeeeel lief vraag?'
'Dan zeker niet.'

Ik glimlachte door de herinnering. De voorlaatste wagon was er van tussen gehaald, omdat David door onvoorziene omstandigheden - Toms euh, hoe zal ik het zeggen, lichaams- en vooral andere geuren zorgden voor nogal wat ophef - toch op het laatste moment beslist had om liever niet met de trein mee te reizen. Hij reed samen met Patrick van land naar land, en probeerde overal gelijktijdig met ons aan te komen.
Soms lukte dat niet en was hij te laat, zoals vanmiddag. Dan beslissen we zelf wat we doen - en wat niet - maar meestal doen we gewoon zoals anders. We zeggen hallo, geven handtekeningen tot we er genoeg van hebben - wat soms vlugger is dan anders - en gaan weer naar binnen. Dan kijken we tot de laatste diehards verdwijnen en vervelen ons tot aan de soundcheck.
Maar vanmiddag ging het niet zo. Tenminste, niet volledig.
Hoe hadden die meisjes er zomaar overheen kunnen komen?
Waar waren Steff, Calli, Tobi, Saki?
Waar was Dirk, die altijd alles in goede banen leidt?
Wat scheelde er met het veiligheidsteam?
Ik piekerde me suf.
Maar wat als ze er wel waren? Wat als er gewoon teveel meisjes tegelijk nuts werden? Dan kan een heel leger nog geen krijsende golf tegenhouden, laat staan met een ploeg van maximum 20 man.
En toen vroeg ik me af of het aan ons zou liggen.
Het klonk vreemd toen ik het uitsprak, en ik draaide me op mijn buik. Het deken onder me was tot een balletje opgerold.
Het z wel aan ons kunnen liggen, het kon altijd.
En toen dacht ik aan Clara.
Of Sofie.
Clara n Sofie.
Maarten klonk verlegen, alsof hij zich nog steeds schaamde voor wat hij met me had gedaan.
Hij wou niet aanvaarden dat ik het hem al lang vergeven had.
Door hem had ik haar niet ontmoet, en die reden was belangrijker dan alle andere.

31

Het bed was koud toen ik terugkeerde van de keuken met een tas warme melk in mijn handen. Onderweg had ik nog even met Tom naar mama gebeld, dus de melk was niet meer zo warm als eerst.
Ik schopte mijn schoenen uit en ging voor het raam zitten. Ik wist niet hoe laat het was, het interesseerde me ook niet. Het enige wat ertoe deed was dat ik nog niet moe was.
De eerste slok melk gaf me kippenvel, en ik wikkelde me in het deken. En deed het weer van me af na de volledige tas, wegens te warm.
Mijn ogen ontleedden de omgeving, zoals ze dat al 23 keer hadden gedaan. En elke keer zag ik weer iets anders dat me opviel.
In Polen was dat het Ikea-filiaal tussen de kleine huisjes geweest, in Spanje de reusachtige poster van Enrique Iglesias achter een raam van een huis in de stationsbuurt.
In Noorwegen de prachtige wilde bloemen in het gras op het plein voor het perron, en in Itali zonder twijfel de bijzonder geslaagde hedendaagse versie van Charlie Chaplin die het beste van zichzelf gaf.
Hier zag ik niks. Een juwelier, ja. Maar dat zie je overal, toch?
Dit leek een buurt als een andere. Speurend gleden mijn ogen over de andere gebouwen. Ik bemerkte wel bijzonder weinig huizen. Het leek alsof Brussel een etnische zuivering had ondergaan, toch tenminste in de directe buurt van het station, om voor elke treinreiziger die hier voorbijkwam de schijn van een rijke, prachtige stad zonder enkel spoor van verstotenen in de maatschappij hoog te houden.
De gebouwen leunden tegen elkaar aan in het licht van de lantaarns. Er was er n dat zich onderscheidde van de anderen, omdat het gewoon .. stnd. Alleen, zonder buren en waar de andere gebouwen er nietig en onstabiel zouden uitgezien hebben, zag dit eruit alsof het geen steun nodig had. Ik rechtte mijn rug en ging dichter bij het raam zitten.
Het had iets, en ik moest me concentreren voor ik erachter kwam. Ik sloot mijn ogen, om het beter te kunnen. Maar ik vertrouwde het donker niet, niet achter mijn ogen en niet om me heen, dus opende ik ze weer en ademde diep in.
En toen besefte ik het.
Het gebouw leek op Sofie.
Want het had geen steun nodig, stond op en voor zichzelf in, net als Sofie. Zij redde zich altijd alleen en was daar bijzonder goed in.
Het riep luid en duidelijk dat niemand hem wat kon doen, en als men het toch zou proberen hij er altijd weer bovenop zou komen. Net als Sofie.

En toen ontdekte ik de contouren van een mens op de rand.

Mijn hart sloeg enkele tellen over vooraleer het tot me doordrong dat ik iets moest doen.
Ik deed geen enkele moeite om mijn schoenen te strikken en moet ontzettend veel kabaal gemaakt hebben, want nog voor ik uit de gang was keken de hoofden van Georg, Gustav en Tom bezorgd om hun deur.
Nu ik eraan dacht, ik had misschien wel een nachtkastje omver gegooid.
'Bill? Wat is er-'
'Op het dak, daar...' Ik denk niet dat ze meer verstonden aangezien ik voorbijstormde zonder articuleren en bijna het schuifdeurtje op het einde van de gang naar de schuifdeurtjeshemel ramde.
Nog voor ik buiten was hadden ze zich al bij mij gevoegd, en opeens leken de de deuren zo sloom. Het was een kwestie van seconden voor... Nee.
Ik holde zonder te kijken de straat over, en ze schreeuwden toen een kleine bestelwagen hard op zijn rem trapte. Maar ik keek niet om, ik week hoogstens een beetje uit voor de neus.
'Bill, verdomme man! Ben je gek geworden?' Tom deed me stoppen, en in het licht dat uit de etalage van de juwelier kwam waren zijn ogen groot van angst.
'Wil je ook dood of zo? Is n nog niet genoeg?' Boosheid nam de plaats in van angst.
'Laat me los, Tom. Dit is dringend.'
'Maar het concert morgen ook! Wat als we jou ook van de straat moeten schrapen?'
'Egost.' Ik rukte me los en stampte weg. Hoe kon hij, verdomme.
'Ik, egostisch? Ik ben met je begaan, mag het?' riep hij me achterna.
'Je bent begaan met het geld, dat ben je!' schreeuwde ik.
Zonder om te kijken spurtte ik verder.
'En wat dan nog? Jij niet, dan?' Hij brulde nu echt, zijn kwaadheid golfde mijn kant op.
Voor het me kon raken sloeg ik af, het pakhuis in. Bijna viel ik over de resten van de deur.
Bill, let een beetje op. Denk na over wat je doet. En... wees voorzichtig.
Ik knikte tegen mezelf en tegen Maarten, en begon aan de klim. Twee treden tegelijk, in het begin schoot het goed op, maar na een tijd voelde ik mijn benen niet meer.
Mijn longen beukten bijna uit mijn borstkas, maar ik wilde niet stoppen. Elke seconde die ik verspilde kon een seconde teveel zijn.
Met mijn hoofd naar beneden en mijn gedachten bij de persoon boven ging ik door.
Het moest. k moest.
Ik knalde tegen een deur. Mechanisch strekte ik mijn hand uit naar de klink, terwijl de dreun door mijn hoofd gonsde. De kou beet in mijn vingers.
Niet schrikken.
Dat deed ik wel.
Nadat ik de deur had opengeduwd had ik verwilderd om me heen gekeken.
God, wat is dit hoog, had ik gedacht.
En daar had ik haar gezien.
Daar zat ze.
Sofie.
En Clara.

32

Sofie
Ik had geen idee waar ik nu aan dacht.
Het kon vanalles zijn, mijn hoofd had het denken overgenomen.
Zelf deed ik niks meer. Of toch: ik liet het over me heen komen.
Het enige wat ik wist, was dat ik hier niet weg wilde. Nog niet.
Mijn hoofd was nog lang niet klaar. De grote lenteschoonmaak was - weliswaar met wat vertraging - eindelijk begonnen.
En Clara hielp me. Ze vertelde over Maarten. Over haar ouders. Over haar zus, haar broer. Ze vertelde over Marijn, over Sapphira.
Ik voelde de neiging me op te rollen tijdens haar herinneringen, zodat ik me beter in de geborgenheid zou kunnen inleven, maar iets in me hield me tegen.
Misschien was het de kou wel.
En steeds opnieuw, elke keer het woord Maarten viel, zoog mijn blik zich vast aan de trein.
Die ik daarna weer losscheurde, alsof ik me schaamde voor wat ik deed.
Misschien schaamde ik me inderdaad.
Ik moest me schamen.
Ik wist best dat Clara het niet bedoelde als n of ander verwerkingsproces, maar het was wel zo. We wisten allebei dat ik me anders niet normaal meer zou gedragen.
E was maar n manier om hem te aanvaarden. En dat was leven met Clara.
En zoals haar leven onlosmakelijk met dat van Maarten verbonden was geweest, zo zou het mijne dat ook zijn.
Ik kon niet zomaar even een persoonijkheid helpen verdwijnen en dan vrolijk verdergaan met mijn eigen leven.
Het was nodig dat ik voelde dat hij er was.
Ik was een herkauwer. Ik moest alle fouten blijven voelen, zodat ik ze niet telkens opnieuw zou begaan. Zodat ik er altijd aan zou blijven denken, zodat ik ze me altijd zou blijven herinneren. Zodat ik me eeuwig schuldig zou kunnen blijven voelen.
Dat is niet gezond, dat weet ik. Maar er is geen andere weg. Problemen vergeten is niks voor mij. Als ik ze niet kan oplossen, leef ik ermee. Zo gaat dat, en het is nooit anders geweest.
Ook niet bij Florian.
Zeker niet bij Florian.
Ik kan stellig verklaren dat het niet mijn schuld was dat hij emigreerde, maar ergens, diep vanbinnen, vraag ik me elke keer ik aan hem denk toch af of er misschien niet ergens iets heel klein was waar hij zich aan kon ergeren, waardoor hij het niet zo erg vond als ik dat we elkaar nooit meer zouden zien, waardoor hij besliste om op geen enkele vorm van contact te reageren, hoe hopeloos en zielig ik ook klonk.
Ik wt dat het fout is zo te denken, ik weet het. Maar dit ben ik. Misschien moet ik iets zelfzuchtiger zijn, misschien moet ik niet zo twijfelen aan mezelf. Maar dat is het enige blijvende gevolg van zijn vertrek. De leegte ging weg, alhoewel niet helemaal. De pijn ging weg, ook niet helemaal. Maar mijn gebrek aan zelfvertrouwen en zelftrots, dat bleef. Hij had het even kunnen opkrikken, maar toen hij vertrok zonk het dieper weg dan het ooit geweest was.

Ik dacht aan hoe ik me gevoeld had op de trap. Zo beslist, zonder te weten waar ik naartoe ging, of wat me te wachten stond. Ik had eerst op mijn voeten gelet, gewoon, zoals altijd.
Maar daarna had ik een ritme gevonden in het schuren van mijn slipper over het metaal. Ik had lak aan denken, toen. Mijn longen moesten pompen, mijn benen moesten bewegen. En anders niets. Geen oorzaken en geen gevolgen. Ik moest doorstappen, om te ontdekken of ik bestond.

Maar de wind had alles veranderd. Ik had geen jas aan, de mouwen van mijn truitje waren te kort. Het haalde niets uit mijn vuisten te willen induffelen, want op het moment dat ik mijn mouwen naar beneden trok, sneed de wind door mijn blote schouders.
Ik vroeg me af vanwaar die wind ineens kwam. Het was zomer. Dan is het warm, dan is de lucht vochtig en dan zie je geen enkel blaadje bewegen.
Men zegt soms dat de wind het knechtje van de Dood is. Ik vind het nog niet slecht gevonden.
Soms lijkt het wel zo. Ik associeer begrafenissen met wind en regen, dus waarom niet?
Toen ik pas boven was, had ik me proberen beschermen tegen hem.
Maar het haalde niks uit. Ik liet het hem begaan.
Hij moest en zou zijn nagels over mijn wangen halen, en wie ben ik om hem tegen te houden?

Arme zoekende ziel. mompelde Clara. Ik vroeg haar om uitleg, die ze niet kon geven. Niet wilde geven. Nog niet. Ik probeerde de zin te vergeten, maar langs elke denkweg die mijn hoofd volgde, dook ze weer op. Ik werd er wanhopig van, en Clara ook.
Geroep deed me opschrikken. Bijna wilde ik gillen dat ik ze ging aanklagen voor nachtlawaai, maar dan had ik mezelf verraden. Dan merkte ik dat het Duits was.
En hoe ik het ook probeerde tegen te houden, ik dacht aan Maarten. Alweer.
Laat hem voorbij lopen, alsjeblief. Doe het voor mij. Ik wil hier niet weg, dat zie je toch ook?
Het hielp niet. Terwijl ik mezelf schaamteloos terechtwees om de hoop dat er iemand zou komen, iemand die ik dacht te kennen, liep hij tegen de deur. Net als ik.

Ik keek hem recht aan toen hij de deur openstak. En ik glimlachte.
Ik vond het leuk hem te zien.
Toen niet meer.
'Clara?'

33

Bill

'Clara?' Ze reageerde niet. Ook niet toen ik het herhaalde. Maarten zei niks. Behoedzaam stapte ik op haar toe. Ze is niet het type om op deze manier een einde aan haar leven te maken, maar nu mocht ze vooral niet schrikken. Ze kon me niet gehoord hebben, ik moest haar geruststellen.
Op een halve meter van haar stak ik mijn arm vooruit, en mijn hand landde zacht op haar schouder.
God, ze was bevroren! Hoe kon ze dat in godsnaam zo lang uithouden? Waarom ging ze niet gewoon terug naar huis?
Omdat ze niet kon, man. Er is geen klink. Clara mompelde, maar ik verstond het toch. Ze klonk boos, gerriteerd.
'Clara!' probeerde ik harder. Dit was niet gezond meer. Ze moest hier weg.
Mijn hart wipte omhoog in mijn borstkas toen ze bewoog. Het had geleken alsof ze dat niet meer kon.
Zachtjes klopte ze met haar hand op de rand, naast haar. Bedoelde ze nou echt dat ik ook-
Nee, ze wil het stof eraf doen. Jezus.
Wat had Clara nou opeens tegen mij? Ze merkte toch dat Maarten en ik niet meer-
Misschien wel niet.
Lijken we echt zoveel op elkaar, dat zelfs onze gedachten hetzelfde zijn? Dat kn toch niet?
Ik bedoel, Maarten en ik zijn dag en nacht! Wij dnken toch vanuit compleet verschillende standpunten?
Maarten, zeg ook 'ns wat! Dan merkt ze dat we niet meer-
'Maarten?' Haar stemmetje fladderde omhoog, broos en kwetsbaar, maar ze keek me nog altijd niet aan.
'Nee.'
Na mijn antwoord draaide ze haar hoofd met een schok naar me toe, haar ogen verward, blinkend van de tranen.
'N?'
Ik probeerde naar haar te glimlachen, maar mijn ogen wilden niet mee. Ik maakte me zorgen. Waarom huilde ze? Wat had ik gedaan, wat had hij gedaan?
Ik slikte toen mijn voet net niet uitschoof op de glibberige rand en de grond onder me vaag werd. Toen zat ik neer, en was het voorbij.
'Nee.' Pas toen het eruit kwam, wist ik dat het allesbehalve overtuigend had geklonken. En toen deed ik iets wat alleen Maarten zou doen: ik sloeg mijn arm om haar schouders en veegde met mijn duim haar tranen weg.
Alsof ik haar nog niet genoeg van mezelf te overtuigen had.

Ineens lag haar hoofd op mijn schouder, ze leunde zacht maar merkbaar tegen me aan.
Ik rook de geur van haar pasgewassen haren, dat meekwam met de wind.
Ze rilde. Dat bracht me terug op mijn eerder doel.
'Ga je mee?' Ik voelde er niks voor haar te commanderen. Nee, zij was iemand waar je beter iets aan vrg als je wat wilde bereiken. Ze zuchtte diep, en sneller dan je van een verkleumd iemand zou verwachten stond ze op haar voeten. Afgezien van de ene keer had ze me nog niet aangekeken, en ik vroeg me af of ze bang was. Bang om te zien wat ze dacht dat er te zien zou zijn.
Maarten.
Dat is het. Ze is bang om Maarten te zien.

Toen ik geen aanstalten maakte om ook op te staan, bleef ze op de rand balanceren. Zonder op te kijken greep ik op de tast haar hand, en trok haar weer naar beneden.
En nog steeds wilde ze me niet aankijken. Dan moest ik het maar doen. Ik draaide me naar haar toe en fixeerde mijn ogen op haar gezicht, dat stuurs voor zich uit bleef staren. Ik heb er geen idee van hoe lang we daar zo zaten. Zij keek niet opzij, maar ik gaf ook niet op. Ze moest en zou zien dat ik terug was.
'Kijk dan toch gewoon, koppige-' Ik sloeg verbijsterd mijn hand voor mijn mond, om de volgende woorden te stoppen. Dat was k niet. Dat wilde k niet zeggen!
Maarten pruttelde onder mijn oppervlak.
'Clara, ik wilde niet... dat was ik niet die...' Ze snikte en haalde haar neus op. En ze keek me aan.
Ze keek me aan. Ze keek me eindelijk aan.
En hoe.
Haar donkere ogen liepen over, ze leken te verdrinken in de emotie die ze wilden verkondigen.
Ze waren prachtig, en toen ik het besefte, wist ik dat het waar was.
Ze had de mooiste huilende ogen die ik ooit gezien had.
Ik zou ze me altijd herinneren, haar ogen, hier op deze plaats. Ze zouden me blijven achtervolgen, ook als ik haar niet meer zou zien, ook als de ogen er niet meer zouden zijn. Ik zou ze 's nachts zien, overdag. 's Morgens en 's avonds. 's Middags en tussen de nacht en de ochtend in. Van het moment dat ik mijn ogen sloot tot ik ze weer opende zouden de hare er ook zijn.
Ik zou er verdrietig van worden, na een tijd. Het moest maar. Ik kon er niet zonder.
Het was te mooi. Te mooi om te vergeten.
Automatisch strekte ik mijn hand uit naar de diamanten die uit haar ogen vloeiden.
Ik wilde ze aanraken, ik wilde ze voelen, ik wilde ze hebben.
Ze waren te mooi om verloren te laten gaan.
Mijn duim streelde over haar wang, onder haar ogen, over haar kin. Ik wilde er geen n verliezen.
Pas toen het tot me doordrong dat ze me aanstaarde, hield ik op. Mijn handen beefden in mijn schoot.
Het voelde alsof ik aan het afkicken was.
Niet dat ik wist hoe dat voelde.
Maar het voelde gewoon niet juist om geen tranen meer te voelen, om geen contact meer te hebben met haar huid.
Ik vroeg me af hoe het kwam dat ik ineens zo'n sterke drang voelde om bij haar te zijn.
Maarten zou er wel voor iets tussen zitten, maar hij kon toch onmogelijk zo'n dwingende, verslavende liefde voor Clara gevoeld hebben dat er zo'n sterk afkooksel ervan op mij afstraalde?
Toen ik haar aanraakte, kwam ik in een soort trance terecht, en het was hard om eruit te zijn. Een trance die ervoor zorgde dat ik steeds meer wreef in plaats van streelde, dat ik me om niets meer bekommerde, behlve dan om haar tranen. Ze waren het enige wat er nog toe deed, het enige wat ik nog zag.
De persoon achter de tranen, die vergat ik.
Ik had beter moeten weten.

34

Ik besefte pas wat haar bedoeling was toen ze haar handen naast zich zette en even probeerde of ze genoeg kracht had om erop te steunen.
Of ze genoeg kracht had om zich af te zetten.
Ik schreeuwde en klampte me aan haar vast toen ze haar benen optrok.
Als zij ging, dan ik ook.
Haar beweging stopte bruusk en onverwacht.
Ze keek me aan, vragend, onbegrijpend.
Gerriteerd.
'Niet doen. Niet. Alsjeblief. Ik beloof je dat alles goed komt.' Mijn stem sloeg over.
Ze fronste haar wenkbrauwen, probeerde haar arm los te draaien uit mijn greep.
Ik gaf niet toe en herhaalde wat ik gezegd had.
'Alles komt goed.'
Ze zuchtte en keek naar de overkant.
Dan keek ze me weer aan, haar ogen ontroerd.
Misschien kon ze gewoon goed acteren.
Ze probeerde zich weer te bevrijden, maar toen ze zag dat ik niet bewoog keek ze naar mijn handen, alsof ze geloofde dat als ze er maar lang genoeg naar keek ze opeens zouden verdwijnen.
Argwanend volgde ik haar hand dat aan de mijne prutste, maar als reactie kneep ik gewoon nog meer dicht.
Haar tanden knarsten, maar ze bleef gewoon verder mijn vingers losmaken.
Uiteindelijk gaf ze het op.
Ze schoof opzij en draaide, enigszins door mijn armen belemmerd, haar benen over de rand, met haar voeten op het dak.
Dan keek ze me aan, een veelbetekenende vraag in haar ogen.
Snap je't nou nog niet?
Beschaamd liet ik haar los, mijn ogen neergeslagen.
Toch bleef ze zitten, wat ik niet zou gedaan hebben als ik haar was in deze situatie.
Ik zou niet op mezelf gewacht hebben, wat zij wel deed.
Ze gaf me een klein duwtje, schouder tegen schouder, en lachte aarzelend toen ik opkeek.
Spreken deed ze niet, maar ik wist best wat ze bedoelde.
En anders zorgde Clara wel voor de ondertiteling.
Zijn we nu eindelijk? Ik heb het koud hier.
Meteen sloeg ik mijn jas om haar schouders, waar ze dankbaar haar armen in schoof.
Ze keek niet om terwijl ze naar de deur liep. Alsof ze al genoeg gedaan had om ons hier weg te krijgen.
Op de trap liep ik vijf treden achter haar omdat ik de deur nog achter me had gesloten, na een laatste blik over de lichten van de stad. Ik probeerde haar niet in te halen of voorbij te steken. Ik observeerde haar, hoe ze liep, hoe ze haar hand op de reling legde, of het bibberde of niet.
Ze zag er kalm uit, maar ik wist hoe goed mensen hun echte gevoelens kunnen verbergen, dus vertrouwde ik het niet helemaal.
Een vreemd geklapper deed mijn aandacht verschuiven. Ik besefte verontrust dat het mijn tanden waren.
Ik botste beneden bijna tegen haar op, omdat ze onbeweeglijk in het midden van het halletje stond.
Ze keek naar iemand.
Tom.
Ik beet mijn tanden op elkaar, zodat ze ophielden met lawaai maken.
Van over haar schouder keek ik hem aan, het maanlicht zorgde ervoor dat ik hem net kon onderscheiden van de nacht daarbuiten.
Aan zijn houding merkte ik meteen dat hij spijt had, en dat hij hier niet kwam om ruzie te maken.
Mijn schouders verslapten toen hij dichter kwam, en bijna had ik hem willen waarschuwen voor de resten van de deur op de grond toen Clara van tussen ons glipte en wilde verdwijnen.
Met een ruk draaide ze haar hoofd om toen Tom haar in het voorbijgaan vastgreep, zonder zijn blik van mij af te halen.
Laat. Ons. Los. Je bent al de tweede vandaag.
Haar ogen schoten van Tom naar mij en terug. Er was geen verschil in uitdrukking.
'Zeg het dan, Tom.'
'Wat?'
'Dat ik niet meer hem ben, wat dacht je.'
Tom weigerde met zijn blik. Ik werd radeloos.
Hij gelooft me. Toch?
Ik dwong hem met mijn ogen een verklaring af. Net op het moment dat hij zou bezweken zijn, rukte Clara zich los en liep door het deurgat.
Tom holde achter haar aan, ik bleef achter. Waarom wilde hij nu niet bevestigen dat ik Bill was? Hij wist het toch? Hij weet toch dat er maar n manier is om Clara weer kalm te krijgen? Om haar weer te doen vertrouwen in mij? Waarom wil hij me voor haar Maarten laten?
Ik kon maar n reden bedenken. Hij had gelogen. Tegen mij. En tegen zichzelf.
Natuurlijk wilde Tom niet bevestigen dat ik terug was.
Hij was verdomme zelf weg.

Marijn

Ik grijnsde toen mijn broers gastlichaam besefte wat er met het mijne aan de hand was. Tom brulde in mijn hoofd, maar Sofie en Clara hoorden hem niet. Daar zorgde ik wel voor.
Ik had het meteen gemerkt, dat Sofie hem niet geloofd had toen hij haar ervan probeerde te overtuigen dat Maarten terug zat waar hij hoorde. Ik had het gemerkt door de manier waarop ze naar me keek. Ze wilde van hem bevrijd worden, ze wilde hem kwijt, weg.
Het kwam goed uit.
Mij vertrouwde ze wel.
Ik was trots op mezelf. Ik kon het nog altijd. Gelukkig maar.
Maarten regelde ik straks wel. Die zou blij zijn dat hij eindelijk weer zelf kon beslissen wat hij deed. Dat komt in orde.
Eerst Clara nog. Zij wilde niet terugkomen. Ach, moeilijk gaat ook. Maar ze zal. En dan kunnen we weer heerlijk terug naar onze eigen wereld, naar ons eigen verdomde zalige vroegere leven.

Door Sofie i.s.m sofiestory.startspot.nl
Hosting en scripting door: MPlay.nl
Er staan 17 links op deze pagina.
Opmerkingen of suggesties?